 | Evola: in opstand tegen de moderne wereld |
Harrie Haller
In afgelopen nummers van Alert! is de Italiaanse filosoof Julius Evola meermalen ter sprake gekomen. Evola's denken heeft een aanzienlijke invloed op zogenaamde 'Nieuw Rechtse' stromingen (1), zoals in Nederland bijvoorbeeld Voorpost. Daarnaast kent Evola ook bewonderaars in kringen van bijvoorbeeld extreemrechtse heidenen en extreemrechtse Neo-folk fans. Beschuldigingen dat Evola's denken een vorm van occult fascisme is, worden door zijn verdedigers afgewezen omdat Evola volgens hen nooit iets te maken gehad zou hebben met het Italiaanse fascistische regime van Benito Mussolini. In werkelijkheid hebben zowel de persoon Evola als zijn denken vele contacten en overlappingen met het fascisme.
Filosofie
Giulio Cesare Andrea Evola werd in 1898 geboren in een oude Siciliaanse aristocratische familie. Daarom zou hij later ook wel de titel van 'baron' dragen (2). Rond 1915 kwam Evola in contact met de dichter Filippo Tomasso Marinneti, de grondlegger van het futurisme, een kunststroming die zich ten doel had gesteld jeugd, techniek, geweld en snelheid te verheerlijken en de gezapige waarden van de bourgeoisie te minachten. Marinetti zou, net zoals een aantal andere futuristische kunstenaars, later een enthousiast volgeling van Mussolini worden. Na de Eerste Wereldoorlog, waar Evola als officier bij de artillerie diende, raakte hij betrokken bij de Italiaanse exponent van Dada. Dada was een avant-garde kunst-stroming waarvan de leden tot de conclusie waren gekomen dat kunst alle zin had verloren in een tijdperk van gifgas en loopgravenoorlog. De Dadaïsten dreven de spot met alle voorgaande kunst en de bourgeoiswaarden die hieraan ten grondslag hadden gelegen. De kunst van Dada was zinloos, lelijk en absurd, net zoals de omliggende wereld. Evola schreef gedichten en maakte schilderijen welke tentoongesteld werden in Rome, Milaan, Lausanne en Berlijn. Wat Evola aantrok in zowel futurisme als Dada was hun minachting voor burgerlijke waarden en sociale conventies. In 1922, na Mussolini's machtsovername, begon Evola's loopbaan als filosoof, aanvankelijk sterk beïnvloedt door Nietzsche en de anarcho-individualist Max Stirner (3). Daarnaast was het werk dat hij in deze tijd verrichtte als vertaler en redacteur van grote invloed op zijn denken. Zo vertaalde hij het magnum opus van de rechtse cultuurpessimist Oswald Spengler 'Untergang des Abenlandes', waarin betoogd werd dat de Europese beschaving in een toestand van terminale decadentie was gekomen. Ook vertaalde hij werk van de conservatief-revolutionaire schrijver Ernst Jünger. Enige tijd later, rond 1927, raakte Evola steeds meer geïnteresseerd in occulte en esoterische kwesties. Hij werd lid van de Gruppo di Ur, een groep die magie, alchemie en oosterse religies bestudeerde. Doel was het overwinnen van het 'moralistische en evolutionair-humanistische' denken en een hogere, metafysische roeping te ontdekken. Veel van de overige groeps-leden haakten al snel af, en Evola ontdekte zijn roeping in de politiek.
Julius Evola
| |
| |
Patriarchaat
In zijn in 1928 gepubliceerde boek Imperialismo pagano (Heidens imperialisme) veroordeelde de baron, zelf streng katholiek opgevoed, de invloed die de katholieke kerk sinds het bewind van de Romeinse keizer Constantijn (306-327) had gehad op de Italiaanse cultuur. Voor Evola waren democratie, massa cultuur en materialisme allemaal gevolgen van de decadente, ontaarde toestand waarin de Italiaanse cultuur zich bevond en het resultaat van de overwinning van het christendom op het Romeinse heidendom. Enige jaren later, in 1934, bracht Evola zijn hoofdwerk uit; Rivolta contro Il Mundo Moderno (Opstand tegen de moderne wereld). Evola toonde zich hierin een fanatiek voorstander van een elitaire, patriarchale maatschappijordening. De geschiedenis van de mensheid was volgens hem geen geschiedenis van vooruitgang maar van neergang, een neergang die te wijten zou zijn aan de invloed van inferieure culturen. Rivolta is een bizarre mengeling van occultisme en geschiedkundige speculatie. De eerste mensen zouden de bewoners van het mythische Hyperborea of Ultima Thule zijn geweest. Hyperborea zou geregeerd zijn geweest door een koning die aan het hoofd stond van een orde van krijgers en een verbinding vormde tussen mensen en goden. De cultuur van Hyperborea was patriarchaal en de zon werd vereerd als hoogste godheid. De samenleving van Hyperborea zou verdeeld zijn in kasten, met onder aan de rangorde handarbeiders en vrouwen. Deze cultuur en haar waarden, of zoals Evola het noemde 'traditie', noemde hij 'basiswet' (4) waaraan menselijke samenlevingen zouden moeten gehoorzamen. Alleen in zoverre mensen deze basiswetten vertegenwoordigden kende Evola hen waarde toe: 'Niet zomaar iedereen kan menselijke waarde worden toegekend, en ook waar ze aangetroffen is, verschijnt ze in variërende hoeveelheden. Een algemene achting voor de menselijke persoon is een bijgeloof' (5). De bewoners van Hyperborea verlieten in twee richtingen hun moederland. Eén groep ging naar Noord-Europa, een tweede groep via Atlantis en Amerika naar West-Europa. De Noord-Europese groep hield de oude tradities hoog, maar de tweede groep stond huwelijken met de inheemse bewoners van het zuiden toe. Hierdoor degenereerde hun cultuur en ras en begon de aftakeling van de mensheid. Volgens Evola waren de zuidelijke culturen matriarchaal en vereerden ze de aarde en de zee. De zuidelijke cultuur was passief en zwak en de geboortegrond van het idee van gelijkwaardigheid tussen mensen. Evola vereenzelvigde deze culturen met vrouwelijkheid en wat hij 'vrouwelijke' waarden noemde. Om een hogere staat van Zijn en cultuur te bereiken zou het westen strijd moeten leveren tegen deze vrouwelijke waarden. Dit ging zover dat Evola het ritueel verkrachten van maagden aanraadde als methode om een hoger spiritueel niveau te bereiken en zijn bewondering voor het gebruik van weduweverbranding uitsprak.
Tussenstation
Met de opkomst van democratie in het antieke Griekenland zegevierde de minderwaardige zuidelijke cultuur over de Noord-Europese traditie. Een opleving van de oude traditie zag Evola in de heerschappij van Alexander de Grote en het heidense Romeinse rijk. Het grote gevaar voor dit rijk was de invloed van de zuidelijke culturen en deze invloed werd het Romeinse rijk fataal toen keizer Constantein zich bekeerde tot het christendom. Slechts de invallen van noordelijke barbaren hadden het westen gered van een terugvallen in 'oriëntale weekheid' en degeneratie. Evola's visie op het fascisme was dubbelhartig. Hij zag in het fascisme de mogelijkheid voor een toekomstige wedergeboorte van de oude Romeinse en noordelijke heidense waarden van heroïek, hiërarchie en idealisme. Fascisme kon een tussenstation zijn in de wedergeboorte van een “heroïsch-sacrale wereld, waarin een strenge ethos zou heersen, samen met liefde voor discipline, een viriele houding en een sobere, gebiedende ziel" (6). Om de in zijn ogen positieve kanten van het Italiaanse fascisme te versterken richtte hij het blad La Torre op en schreef daarnaast voor fascistische bladen als Il Regime Fascista. Wat hij in het fascisme afkeurde was dat het een massabeweging was en pretendeerde 'het volk' te vertegenwoordigen. Het fascisme was voor Evola niet elitair genoeg. Daarom riep hij in La Torre op tot 'een radicaler fascisme, moediger, een waarlijk absoluut fascisme, gemaakt uit pure macht en ongevoelig voor enig compromis'(7). Ook vond Evola de rassentheorie van de nazi's te materialistisch, te zeer beïnvloed door het denken van de moderne wereld. In Evola's denken zijn rassen geen louter biologische, maar ook culturele en spirituele categorieën. 'Arische' kwaliteiten als loyaliteit, geloof en moed waren niet de eigenschappen van een biologisch ras, maar van elites en konden bijvoorbeeld ook gevonden worden in de oude culturen van China of India. Evola's ideeën over ras somde hij op in zijn boek uit 1941 'Sintesi di dottrina della razza' (Synthese van de rassen doctrine) Dit boek werd door Mussolini het definitieve statement van de fascistische beweging over ras genoemd (8). Ook in zijn denken over joden week Evola af van het nationaal-socialisme. De joodse cultuur was volgens Evola schadelijk en joodse intellectuelen speelden een belangrijke rol in de neergang van beschaving. Toch wees hij antisemitische samenzweringstheorieën over het algemeen af (9). De prominente rol van joden die hij meende waar te nemen zou een gevolg en niet de oorzaak van de Europese aftakeling zijn.
Voorbeeld
Met zijn opvattingen over ras, de rol van aristocratische elites en joden maakte Evola zich weinig geliefd bij nationaal-socialisten die een zogenaamd wetenschappelijke rassenleer hanteerden en het Duitse volk als het 'Herrenvolk' zagen. Tot deze fractie behoorden onder andere Heinrich Himmler en zijn 'zwarte' of Totenkopf SS, de SS afdeling verantwoordelijk voor de concentratiekampen. Volgens een rapport afkomstig uit deze SS kringen was Evola nationaal-socialist noch fascist (10). Meer aanhang had Evola in de multinationale Waffen-SS. Evola zelf zag in de Waffen-SS een wedergeboorte van de oude krijgerskaste en een mogelijkheid om de Europese cultuur te redden. Daarnaast was Evola een bewonderaar van het Legioen van de Aartsengel Michaël (De IJzeren Garde), een fanatieke fascistische beweging uit Roemenië. Dergelijke ordes waren voor Evola 'mannelijke gemeenschapen', die de waarden van het Romeinse imperium hooghielden (11). Tijdens de oorlog werkte Evola voor de inlichtingendienst van de SS, de Sicherheits Dienst des Reichführers-SS. In artikelen die hij in deze tijd schreef verdedigde hij het idee van een Pan-Europees fascisme. Nadat Mussolini in 1943 ten val kwam vluchtte Evola, met hulp van de SD, in 1944 naar Wenen en was hij betrokken bij het opzetten van een ondergrondse fascistische groepering in Rome. Verder verrichtte hij tegen het einde van de oorlog veel onderzoek naar occulte kwesties. De SD leverde Evola de benodigde boeken, geplunderd uit Europese bibliotheken. Tegen het einde van de oorlog raakte Evola tijdens een bombardement ernstig gewond en belandde voor de rest van zijn leven in een rolstoel. Na zijn terugkeer naar Rome, in 1948, werd hij een inspiratiebron voor jonge fascistische extremisten in de Fasci d'Azione Rivoluzionaria (FAR). Evola veroordeelde de Movimento Sociale Italiano (MSI), de opvolger van Mussolini's fascistische partij, wegens haar samenwerking met de geallieerde bezetters. De MSI zou 'kapitalistisch geroof' en een 'cynische, antisociale plutocratie' steunen (12). Evola en leden van FAR werden in 1951 opgepakt omdat zij de staat omver zouden willen werpen. Evola werd na zes maanden gevangenschap vrijgesproken. In zijn in 1953 gepubliceerde boek, 'Gli uomini e la rovine' (Mensen tussen de ruïnes), herzag Evola zijn anti-Amerikaanse standpunt. Hij was van mening dat het nog een lange tijd zou duren voordat het 'autoritaire ideaal' weer herboren zou worden en dat daarom een lange termijn strategie nodig was. Terwijl ze samenwerkten met de Amerikanen tegen de communisten, zou een elite de fascistische idealen in stand moeten houden en moeten wachten op betere tijden. Het voorwoord bij 'Gli uomini e la rovine' werd overigens geschreven door prins Junio Valerio Borghese, bijgenaamd 'de zwarte prins'. Borghese was berucht als leider van een antipartizanen-eenheid. Gered door de CIA van executie door de partizanen zou hij, alhoewel schuldig bevonden aan oorlogsmisdaden, in 1949 vrijkomen. Borghese was een held voor alle verschillende stromingen in de fascistische beweging. In 'Gli uomini e la rovine' verheerlijkte Evola geweld omdat 'de meest vernietigende omstandigheden' een man in staat stellen een hoger niveau, dat van 'absoluut Zijn' te bereiken. Hier past ook zijn uitspraak dat 'het paradijs in de schaduw van zwaarden te vinden is' (13). Daarnaast gaat Evola in 'Gli uomini e la rovine' weer tekeer tegen de corrumperende krachten van secularisme, egalitarisme en individualisme. Deze krachten zouden in toom gehouden moeten worden door rituelen en de 'ijzeren orde van wetten en kaste'. Tijdens de roerige jaren '60 en vroege jaren '70, de zogenaamde 'jaren van lood', waren in Italië een grote verzameling gewapende groepen van zowel linkse als rechtse signatuur actief. Alhoewel Evola, tot zijn grote ongenoegen, ook aangehaald werd door linkse militanten die sympathie hadden voor Evola's oproep tot totale strijd, was hij vooral van invloed op het denken van radicaal-rechtse militanten. Toen Evola in 1974 overleed, verbranden zijn bewonderaars zijn lichaam en zetten zijn urn met as bij de gletsjer van Monte Rosa. Om zijn belang te onderstrepen noemde de oprichter van de MSI, Giorgio Almirante, Evola, 'onze Marcuse, maar dan beter' (14). Meer dan dertig jaar na zijn dood maakt Evola deel uit van het canon van nieuwrechtse denkers, naast namen als Sorel, Gabriele D'Annunzio of Nietzsche. In het vervangen van het materialistische begrip 'ras' door 'cultuur' ligt misschien wel de grootste invloed van Evola's denken op radicale groepen als het Franse Groupement de Recherches et d'Etudes pour la Civilisation Européenne (GRECE). Uit hun nadruk op culturele factoren volgt ook hun overeenstemming met Evola dat religie een grote rol speelt in de vorming van een beschaving. Net zoals Evola wijzen ze christendom en jodendom af als 'vreemd' aan de oorspronkelijke Europese cultuur. Gelijk Evola wijzen zij de moderniteit en wat zij de kwalijke uitwassen hiervan vinden, zoals feminisme en egalitarisme, af. Daarnaast vindt deze stroming zich in Evola's pan-europeanisme. Op de achtergrond blijft Julius Evola dus een rol spelen als inspiratiebron voor een autoritair gedachtegoed.
Noten:
(1) Franz Gress, Haris-Gerd Jaschke, klaus Scönekäs Neue Rechte und Rechtsextremismus in Europa (Opladen, 1990) 89.
(2) Eduard Gugenberger en Roman Schweidlenka Mutter Erde, Magie und Politik. Zwischen Faschismus und neur Gesellschaft (Wenen, 1986) 129.
(3) Anarcho-individualisme, ook wel anarcho-egoïsme, genoemd is een stroming binnen het anarchisme die het eigen Ik boven alles stelt. Max Stirner, de grondlegger van dit gedachtegoed, schreef in zijn boek 'Der Einzige und sein Eigentum' (1844) dat alle waarden buiten het eigen ego verworpen dienden te worden en dat alleen door competitie van zelfbewuste egoïsten een stabiele maatschappij zou kunnen ontstaan.
(4) Eduard Gugenberger en Roman Schweidlenka Mutter Erde, Magie und Politik. Zwischen Faschismus und neuer Gesellschaft(Wenen, 1986).
(5) Geciteerd in Helmut Reinalter, Franko Petri en Rüdiger Kaufmaan (red.) Das Weltbild des Rechtsextremismus. Die Strukturen der Entsolidarisierung (1998, Wenen) 179 Mijn vertaling.
(6) Kevin Coogan, Dreamer of the day . Francis Parker Yockey and the post-war fascist international '(Brooklyn, 1999) 308.
(7) Coogan, Dreamer of the day 316.
(8) Ibidem 309.
(9) Dit weerhield hem er overigens niet van een vertaling te verzorgen van de antisemitische samenzweringsklassieker Protocollen van de Wijzen van Sion.
(10) Coogan, Dreamer of the day 309.
(11) Ibidem 335.
(12) Ibidem 330.
(13) Gugenberger en Schweidlenka Mutter Erde 131.
(14) Coogan, Dreamer of the day 213.