alert = afa

Home
Inhoud 3-2010
Zoeken

Lonsdale News

Alert!
Postbus 2884
3500 GW Utrecht
alertafa@xs4all.nl
PGP-key

xml

printversie

Geschiedenis van het Vlaams-nationalisme (deel 1)

Eerst het eten en dan de taal

Uw correspondenten in BelgiŽ

Een beknopte geschiedenis schrijven van het Vlaams-nationalisme is niet alleen vanwege de omvang en de complexiteit ervan een heikele zaak. Lees twee boeken over het Vlaams-nationalisme en je leest waarschijnlijk twee totaal verschillende dingen.

Terecht merkt de historicus Marc Reynebeau op dat "de natie een geestesconstructie is en haar moeder het nationalisme zelf". (1) Zowel de aanhangers van het "Belgische nationalisme" als van het "Vlaams-nationalisme" hadden (en hebben) behoefte aan een "collectieve geschiedenis" voor hun "natie". Iedereen die een paar geschiedkundige kaarten van deze contreien bekijkt, zal echter kunnen vaststellen dat van een "collectieve geschiedenis" soms moeilijk sprake kan zijn. De nationalistische behoefte om die geschiedenis vervolgens op "romantische" leest te herschrijven, heeft voor behoorlijk wat geschiedenisvervalsing gezorgd. Welk historisch moment men als referentiepunt neemt, is bovendien geen neutrale kwestie. Begint de geschiedenis van "BelgiŽ" bij Julius Caesar die "de Belgen" de "dapperste aller GalliŽrs" noemde, waarbij die "Belgen" voor een groot stuk in het huidige Noord-Frankrijk te lokaliseren waren? Of refereert men liever naar "het Graafschap Vlaanderen" uit de 14de eeuw dat plusminus overeenkwam met de provincies Oost- en West-Vlaanderen (dus zonder Antwerpen, Vlaams-Brabant en Limburg), maar met inbegrip van Frans-Vlaanderen (in Frankrijk) en Zeeuws-Vlaanderen (in Nederland)? Waren we beter af onder het huis van Oranje? Of was het toch beter toen deze contreien nog bij het "Verlichte" Frankrijk hoorden? Of hadden de Duitsers het misschien het beste voor met de Vlamingen? De politieke implicaties van welk romantisch ideaal men heeft over welk specifiek territorium uit welke specifieke periode in de geschiedenis, zijn duidelijk.

Het Graafschap Vlaanderen in de 14e eeuw
  Kaart Graafschap Vlaanderen  
BelgiŽ, dat kleine, complexe landje waar je in twee uur doorrijdt, is letterlijk een "doorrijland". In die zin dat zowat alle grote mogendheden over deze contreien heen "gewalst" zijn, van de Romeinen naar de Fransen, de Spanjaarden, de Oostenrijkers, de Nederlanders tot en met de Duitsers, niet altijd omdat ze het hier zo interessant vonden, maar soms gewoon omdat ze er doorheen moesten om naar de vijand aan de overkant te raken. Hoewel de term "overheen walsen" zeker niet altijd correct is, daar er lang niet altijd sprake was van "verzet" tegen "vreemde overheersers", zoals romantische nationalisten zich vaak klagend afvragen, of om een "bloedige kolonisatie", maar net zo goed om "inlijvingen" door opportunistische (en bijgevolg wisselende allianties) tussen de eigen lokale vorstjes en de broodheren van de grotere vorstenhuizen uit de omgeving. Om dat hele Vlaamse "Calimero-complex" van ons, speciaal voor de Nederlandse vrienden, nog wat meer te ridiculiseren: in hun "gloriedagen" hebben de Vlamingen Nederland ook eens "overhoop gelopen" (3) dus historisch staan we vermoedelijk quitte. En voor de rest, tsja, welke taal die heersende elite hier ook sprak, de armere bevolking had ondertussen hoogstwaarschijnlijk andere zorgen. Eerst het eten en dan de taal. Men mag bovendien niet denken dat het de Vlaamse bevolking ooit verboden is geweest om ondertussen haar eigen taal (dialect) te blijven spreken. In die zin is onze "overheersing door een andere taalgroep" niet te vergelijken met die van pakweg de Ieren of de Basken.
Ten slotte stellen flaminganten BelgiŽ vaak voor als een "accident de parcours" in de West-Europese staatsvorming, een "ongelukje" dus of een "artificiŽle staat" waarbinnen dat arme Vlaamse volk al eeuwen verdrukt zit. Daar valt tegen op te werpen dat alle staten in wezen "artificieel" zijn. En als je erover nadenkt, dan zijn er maar heel weinig landen in de wereld waarvan de "taalgrenzen" precies samenvallen met de "staatsgrenzen". Bijna elk land heeft "taalminderheden" en vele "volkeren" zijn verspreid over meerdere staten. En dat is dan weer iets waar "Belgicisten" trots op zijn, dat de Belgische staat niet gebaseerd is op zoiets verwerpelijk als "etniciteit". "L'union fait la force" zeggen ze dan (hoewel die Belgische wapenspreuk historisch een andere betekenis had). Maar goed, van "nationalismen" die gebaseerd zijn op een bepaalde taal, kan wel gezegd worden dat deze blijkbaar over een bijzonder wervende (soms griezelige) kracht beschikken. Een kracht die soms zo danig sterk is dat ze mensen met tegengestelde belangen en ideologieŽn (tijdelijk) bijeen weet te brengen. Wat, zeker achteraf bekeken, soms voor vreemde allianties kan zorgen, zoals in de geschiedenis van het Vlaams-nationalisme nog zal blijken. Hoewel dat meestal het geval is, hoeft een bepaald nationalisme niet noodzakelijk een rechtse invulling te hebben, er bestaan ook "emancipatorische" nationalismen, zoals bijvoorbeeld de dekolonisatiebewegingen. Dat is het geval wanneer een bevolkingsgroep gediscrimineerd (of verdrukt) wordt op basis van haar taal en haar cultuur, logisch dat die groep dan diezelfde basis gebruikt om zich te organiseren en in opstand te komen. Eens die verdrukking voorbij is, zou die taal verder niet de basis mogen zijn waarop andere mensen dan weer uitgesloten worden, want dan wordt het een rechts nationalisme, zoals nu voor Vlaanderen veelal het geval is. Traditioneel hebben linkse bewegingen immers altijd andere "breuklijnen" gehanteerd (namelijk economische, sociale en/of politieke ongelijkheden). Links heeft zich traditioneel altijd "internationalistisch" verklaard, verzameld rond "universele waarden" (zoals "vrijheid, gelijkheid, broederschap" of universele mensenrechten). Terwijl vele rechtse en extreemrechtse bewegingen opgebouwd zijn rondom een bepaalde "etniciteit" en/of een bepaald grondgebied ("bloed en bodem"). Goed, tot zover de politieke theorie, over naar de geschiedenis.
De "Vlaamse Beweging", die in prille vorm halverwege de 19de eeuw ontstond, was (en is) een bredere beweging van allerhande culturele, studentikoze en politieke organisaties die op verschillende manieren en met verschillende doelstellingen voor "Vlaamse ontvoogding" ijver(d)en. Bij haar ontstaan had de beweging aanhang in zowel katholieke, liberale als socialistische milieus. Enkele belangrijke figuren kwamen bijvoorbeeld uit anarchistische en revolutionaire middens, zoals de groep rond het tijdschrift "Van Nu en Straks" van August Vermeylen. Aanvankelijk was er enkel sprake van "culturele" eisen binnen de Belgische staat, maar naar het einde van de 19de eeuw zouden de eisen "politieker" worden en zou een deel van de beweging gaan ijveren voor meer bestuurlijke autonomie binnen BelgiŽ of voor een onafhankelijke Vlaamse staat, anderen zouden dan weer pleiten voor een hereniging met Nederland en nog anderen voor een aansluiting bij het "Germaanse Rijk". Het "Vlaams-nationalisme" als een politieke stroming die ijvert voor een eigen Vlaamse natiestaat (met een eigen "taal" en een eigen "territorium") ontstond pas begin 20ste eeuw. Niet toevallig de periode waarin ook in andere landen "nationalismen" opgang maakten en waarin duchtig over het bestaan van verschillende "rassen" gepraat werd (het "Vlaamse ras", als onderdeel van het bredere "Germaanse ras", zoals dat toen heette), met alle desastreuze gevolgen van dien (WOI en WOII). In de aanloop naar WOI is de Vlaamse Beweging steeds rechtser gaan worden. De collaboratie van een deel van de Vlaamse Beweging in beide wereldoorlogen, bezorgde de hele beweging een uiterst ranzige bijsmaak, waar men het in BelgiŽ nog steeds moeilijk mee heeft. Of zoals Jacques Brel de flaminganten beschreef in zijn lied "Les FÖ": "Nazis durant les guerres. Et catholiques entre Elles." Maar goed, Brel trapte wel op lange Vlaamse tenen en niet elke flamingant is een "embryonale nazi". In het kader van een onderzoeksblad naar extreemrechts belichten we in deze reeks vooral die figuren uit de geschiedenis die vandaag nog steeds door extreemrechts vereerd worden, wat een enigszins vertekend beeld geeft, maar wat dus duidelijk niet wil zeggen dat er nooit progressieve flaminganten bestaan hebben, want die bestonden ook, vooral op het moment dat de "Vlaamse zaak" nog een "emancipatorische zaak" was in plaats van een "reactionaire".
Nog even vermelden, ten slotte, dat er in WalloniŽ ook zoiets als een "Waalse Beweging" bestaat, die naar het einde van de 19de eeuw toe om een administratieve scheiding van de unitaire staat was gaan vragen. Dat kwam door de invoering van het "algemeen meervoudig stemrecht voor mannen" (2) in 1893, wat ervoor zorgde dat het eerder vrijzinnige en socialistische WalloniŽ zich plots numeriek achtergesteld begon te voelen ten opzichte van de eerder conservatieve en katholieke Vlamingen.

"Arm Vlaanderen"
BelgiŽ is in 1830 ontstaan uit een "monsterverbond" tussen de (doorgaans Franstalige) liberalen en de katholieken (die niet van het protestantse Nederland hielden). De socialistische beweging moest toen nog beginnen groeien en van algemeen stemrecht was nog lang geen sprake. Er was toen ook nog geen sprake van "Vlamingen" en "Walen", BelgiŽ was een unitaire staat (met maar ťťn centrale regering en dito parlement) waarbinnen het Frans de officiŽle taal was. In het noorden sprak men allerlei Nederlandstalige dialecten en in het zuiden sprak men Waalse dialecten (die overigens ook verschilden van het "officiŽle Frans").
BelgiŽ was, na Engeland, het eerste land van continentaal Europa dat "industrialiseerde" (vanaf 1800). Het zwaartepunt kwam daarbij in WalloniŽ te liggen dat een bloeiende staal- en steenkoolindustrie kende. In Vlaanderen industrialiseerde aanvankelijk enkel de textielnijverheid (wol, katoen, vlas). De "industriŽle revolutie" was een ramp voor het agrarische Vlaanderen, daar de boeren hun broodwinning uit de traditionele thuisarbeid verloren. De werkloze landarbeiders trokken naar steden zoals Gent en Aalst, waar ze tegen een absoluut hongerloon in de textielfabrieken gingen werken tot ze letterlijk crepeerden. Bovendien gaven de fabriekseigenaren vaak de voorkeur aan vrouwen en kinderen, die ze nog minder moesten betalen, waardoor de werkloosheid torenhoog was. Vele Vlamingen vertrokken dan maar naar WalloniŽ of Frankrijk om daar werk te zoeken. Met een paar tegenvallende oogsten en de aardappelplaag daarbovenop, kan men alleen maar zeggen dat de Vlaming halverwege de 19de eeuw verhongerde. Ouders legden hun kroost noodgedwongen te vondeling en hongerige bendes stroopten het platteland af. Karl Marx noemde het stadium vlak voor de dood van extreme uitputting door ontbering "die flandrische MisŤre". Het Vlaanderen uit de 19de eeuw zou de geschiedenis ingaan als "arm Vlaanderen".
Dat Vlaanderen was ook cultureel en politiek "arm". In de nieuwe Belgische grondwet werd de "vrijheid" van taalkeuze ingeschreven. Maar omdat de Belgische elite nu eenmaal Frans sprak (een sociaal proces dat al heel lang aan de gang was), werd het Frans al snel de taal van het openbare leven. Niet omdat het "moest", maar omdat de elite en de overheidsinstanties nu eenmaal "vrij" waren hun taal te kiezen (in BelgiŽ kent men bijgevolg het verschil tussen "taalvrijheid" en "taaldwang"). Het Frans werd immers beschouwd als een hoogstaande wereldtaal, de taal van de Verlichting, de taal waar men kortom verder en hogerop mee kon geraken, terwijl het "Vlaams" nog geen standaardtaal was, maar een mengelmoes van boerse dialecten, die elkaar onderling nauwelijks verstonden (die dialecten zijn nog steeds erg uiteenlopend, ik heb bijvoorbeeld verre familie die ik nauwelijks versta als ze hun streekdialect spreken). Ook in Vlaanderen was het Frans de taal van de elite, van de "baron", de "patron", de "bourgeoisie" en de "champetter" (veldwachter). Maar ook van de literatuur. Vele "Vlaamse" schrijvers, zoals Nobelprijswinnaar Maeterlinck, schreven toen in het Frans. Die elitaire klasse van Franssprekende Vlamingen zou men de "Franskiljons" noemen. Het Frans werd kortom de taal van het hele openbare leven: van politiek, leger, administratie, gerecht en cultuur. Met de nuance dat er hier en daar wel nog Vlaams gesproken werd, vooral dan op die vlakken waar dat "openbare leven" in aanraking kwam met de gewone sterveling. Zo werd er in Oost- en West-Vlaanderen tijdens strafzaken voor lagere rechtbanken wel Nederlands gepraat (als de rechter dat toestond), voor militaire rechtbanken of handelsrechtbanken dan weer niet. Ook het lagere onderwijs kon vanaf halverwege de 19de eeuw in het Nederlands gevolgd worden, in de lokale dorpsscholen die toen werden ingericht (door zowel de staat als door de kerk). Het middelbaar en hoger onderwijs werd echter uitsluitend in het Frans gegeven. Maar in de periode van "arm Vlaanderen" gingen de meeste kinderen sowieso niet (lang) naar school (ruim de helft was analfabeet), ze moesten immers mee gaan werken met hun ouders, zodat de Franstaligheid van het hogere onderwijs in eerste instantie een vrij elitair probleem was. De leerplicht tot 14 jaar werd pas in 1914 ingevoerd (en vervolgens pas geconcretiseerd na WOI). Ook op politiek vlak was de "taalgrens" een "sociale grens". Door het cijnskiesstelsel was stemmen in Vlaanderen voorbehouden aan circa 1% Franstaligen. (4)

De taalminnaren
Vanaf het midden van de 19de eeuw begonnen de "taalminnaren" het Vlaams als cultuurtaal promoten en dat door boeken, gedichten en theaterstukken in het Nederlands te gaan schrijven in plaats van in het Frans, zoals toen gangbaar was (cultuurflamingantisme). De eerste ambitie van Vlaamsgezinden bestond erin om van "het zooitje dialecten" een eigen "beschaafde" Vlaamse standaardtaal te maken, die zich zonder blozen naast de Franse kon opstellen. De flaminganten van het eerste uur hadden veel aanhang in katholieke milieus die een eigen "kuise" Vlaamse taal niet alleen als een "verheffing" van het volk beschouwden, maar ook als een dam tegen de goddeloze, zedenloze en revolutionaire ideeŽn die via de Franse taal in Vlaamse hoofden zouden kunnen doorsijpelen. Daarnaast bleef de kerk zeer lang "Belgicistisch" want vanuit Nederland wou men het protestantisme tegenhouden, waardoor katholieken er even goed voor bedankten het Nederlands van de Noorderburen over te nemen. Zoals een bisschop toen schreef: "Ik ben het met u eens, meneer, dat de Vlaamse taal het meest morele element in de Belgische nationaliteit is. Inderdaad, de Franse en de Hollandse taal zijn, door hun ongodsdienstige en immorele voortbrengselen, de gevaarlijkste vijanden van onze Heilige godsdienst en dus van onze nationaliteit." (5) Zo eenvoudig verliep de zoektocht naar een "standaard Vlaams" echter niet, daar elke schrijver uiteraard zijn eigen streekdialect mooier vond. Het was Jan-Frans Willems die de eerste "spellingoorlog" beslechte en BelgiŽ in 1844 een eigen spelling van het Nederlands bezorgde, waardoor hij "de vader van de Vlaamse Beweging" genoemd wordt. Reynebeau (die historicus) noemde het "cultuurflamingantisme" van de taalminnaren een "hobbyflamingantisme" van tweetalige middenklassers (leraren, ambtenaren, priesters, Ö) die door de promotie van het Nederlands hun sociale status konden verhogen. Pas tegen het einde van de 19de eeuw zou de Vlaamse Beweging ook politieke en sociale eisen beginnen te stellen in verband met taaldiscriminaties, wat resulteerde in de eerste taalwetten (zie verder). Bekende taalminnaren waren onder meer Guido Gezelle, Hendrik Conscience en Albrecht Rodenbach.

Guldensporenherdenking van Voorpost in 2008
  Guldensporenherdenking van Voorpost  
De Leeuw van Vlaanderen
Hendrik Conscience romantiseerde in 1938 de Guldensporenslag in zijn roman "De Leeuw van Vlaanderen". "Romantiseerde" is het juiste woord want Conscience wordt vaak verweten dat hij een loopje heeft genomen met de geschiedenis. (6) De Guldensporenslag was de "heroÔsche" veldslag op het Groeningheslagveld bij Kortrijk (van 11 juli 1302) waarin een legertje van Oost- en West-Vlaamse burgers, gemobiliseerd voor het Graafschap Vlaanderen, te voet en slechts gewapend met pieken en goedendags, de Franse ridders te paard in de pan hakten, volgens de geromantiseerde versie onder het roepen van de strijdkreet "Vlaanderen de Leeuw!". "De Leeuw van Vlaanderen" was de bijnaam van de toenmalige Graaf van Vlaanderen, Robrecht van Bťthune. Ook de "Brugse Metten" die de Guldensporenslag vooraf gingen, spraken tot de Vlaamse verbeelding. In de nacht van 18 mei 1302 gingen Vlaamse "Klauwaerts" (of "Liebaerts") er van deur tot deur en iedereen die er niet in slaagde "schild en vriend" te zeggen, werd ervan verdacht "Leliaert" te zijn (Fransen en Fransgezinde patriciŽrs) en onbarmhartig afgeslacht. De roman was zo'n groot succes dat Conscience de bijnaam kreeg "de man die zijn volk leerde lezen". Conscience schreef daarnaast nog verschillende "historische romans" waarin de Vlamingen hun "glorieus verleden" kregen voorgeschoteld. "Met zijn werk etste hij allerlei taferelen uit de Vlaamse geschiedenis gloedvol in het bewustzijn van de lezers. Achteraf zouden tal van flaminganten beweren dat door het lezen van Conscience in hen een Vlaams bewustzijn tot leven kwam." (7) En dat geldt nog steeds. Als ze het boek al niet als jeugdroman hebben gelezen, dan zullen er weinig Vlamingen zijn die niet op zijn minst de verfilming van Hugo Claus (1985) hebben gezien. Toegegeven, we kunnen ons herinneren dat we als kind, na het zien van de film, ook een hele tijd uit volle borst "schild-en-vriend" hebben gespeeld. "De Leeuw van Vlaanderen" heeft alleszins sterk bijgedragen tot de "Vlaamse bewustwording" in de 19de eeuw en de groei van de Vlaamse Beweging tot in de 20ste eeuw en daarna. Sinds 1973 is 11 juli de Vlaamse "nationale" Feestdag geworden en de Vlaamse overheid stelt sinds enige jaren geld ter beschikking voor al wie ter ere van 11 juli een buurtfeest organiseert, met als voornaamste voorwaarde dat er een Vlaamse Leeuwenvlag moet uithangen. In Vlaams-nationalistische en extreemrechtse kringen staat de Guldensporenslag nog steeds symbool voor de taalstrijd tussen Vlamingen en Walen. In werkelijkheid had de slag weinig met taal te maken, maar vooral met de economische en politieke belangen van de strijdende partijen. Bovendien stonden in 1302 de troepen van het Graafschap Namen (WalloniŽ) aan de Vlaamse kant, terwijl de Brabanders aan de zijde van de Franse koning stonden. Maar goed, de "nationalistische mythe" komt zelden overeen met de werkelijke geschiedenis, zij dient andere politieke doeleinden.

Het symbool van de Blauwvoet
  De Blauwvoet  
De Blauwvoet
Een andere belangrijk figuur voor Vlaams-nationalisten is de katholieke schrijver Albrecht Rodenbach (1856 Ė 1880). Rodenbach, die in het Frans studeerde, zou zich gaan inzetten voor het gebruik van het Vlaams in het onderwijs. Hij stichtte daartoe verschillende studentenorganisaties en toneelverenigingen. Voor hem gold "In Vlaanderen Vlaams": alleen de volkstaal was van belang en niet het "Hollands" van de "hollandsche pedanten die onze tale vermooscht hebben".(8) Het Vlaams van Rodenbach (en van Gezelle) moest dan wel het West-Vlaamse dialect zijn (o jee), want dat vonden zij natuurlijk het enige echte Vlaams. Het bekendste gedicht van Rodenbach is De Blauwvoet ("Vliegt de Blauwvoet? Storm op zee!"). De Blauwvoet is nog steeds het strijdlied van verschillende katholieke studentenverenigingen en van extreemrechtse organisaties zoals het Vlaams Nationaal Jeugdverbond Dat lied zouden studenten van het Klein Seminarie in Roeselare gezongen hebben tijdens een schoolfeest, als protest omdat er toen uitsluitend in het Frans gezongen mocht worden. Die ludieke actie was het begin van de "Blauwvoeterij", studentikoze acties tegen de overheersing van de Franse taal in Vlaanderen. Rodenbach haalde de Blauwvoet uit een roman van Conscience die op zijn beurt de Blauwvoet uit een Franstalig historisch werk had gehaald. Velen denken dat de Blauwvoet een jan-van-gent is, maar in het oorspronkelijke verhaal verwijst deze naar de familie Blauvoet uit Veurne. Ondanks deze vergissing wordt er nog steeds een vogel als symbool gebruikt voor de Blauwvoet. Rodenbach zou zich later afwenden van het flamingantisme en eerder in Franstalige en liberale kringen vertoeven. Dat hield de West-Vlaamse priester en collaborateur Cyriel Verschaeve echter niet tegen om de strijdvaardigheid van deze "supervlaming" in 1941 gelijk te stellen aan het militaire engagement voor nazi-Duitsland.

De taalwetten
Naar het einde van de 19de eeuw werden in BelgiŽ een reeks taalwetten aangenomen die een einde moesten maken aan een aantal onrechtvaardigheden. Zo werden in 1860 twee Vlamingen, Jan Coucke en Pieter Goethals, ter dood veroordeeld voor een roofmoord op een oude vrouw in Charleroi, die nog net voor ze stierf kon zeggen dat haar moordenaars Vlaams hadden gesproken. Coucke en Goethals, die in de regio werkten, werden opgepakt. Hun rechtszaak verliep alles behalve eerlijk omdat deze in het Frans werd gehouden, terwijl ze zelf nauwelijks Frans verstonden en hun advocaat geen Nederlands sprak (hun tolk, een Luxemburger, zou geen van beide talen echt machtig zijn geweest). Toen een jaar na hun publieke onthoofding twee andere mannen de moord bekenden, stond Vlaanderen op zijn achterste poten. Uiteindelijk werd in 1873 de wet Coremans aangenomen die, als eerste taalwet, een aanzet vormde voor de regeling rond het gebruik van talen in rechtszaken. Voortaan werd het Nederlands de voertaal voor strafzaken in de Vlaamse provincies, tenzij de beklaagde akkoord ging met het Frans (voorheen was de rechter "vrij" het Nederlands te weigeren als hij dat niet begreep). De tweede taalwet (1878) was een aanzet tot het gebruik van het Nederlands in bestuurszaken voor Vlaanderen en Brussel. De derde taalwet (1883) stelde dat het middelbaar onderwijs niet langer uitsluitend in het Frans gegeven mocht worden. En de Gelijkheidswet (1898) stelde het Nederlands en het Frans ten slotte officieel op gelijke voet. Dit zeer tegen de zin van de Franstaligen die vreesden dat op termijn de hele administratie tweetalig zou moeten worden (en daar stond men in WalloniŽ niet om te springen). Tot dan toe was Vlaanderen de facto tweetalig en WalloniŽ eentalig, dus waren er op lange termijn maar twee oplossingen: volledige tweetaligheid in heel BelgiŽ of een opsplitsing in twee aparte taalgebieden en dan zou er een "taalgrens" moeten getrokken worden (oei oei). De "taalkwesties" waren daarmee voor geen van beide taalgroepen bevredigend opgelost (en ze zijn tot op de dag van vandaag een Belgisch pijnpunt). De "toepassing van de taalwetten" zou ťťn van de belangrijkste eisen worden van de Vlaamse Beweging. Deze klaagde erover dat de taalwetten niet alleen ontoereikend waren, maar vooral dat ze in de praktijk dode letter bleven. Zo is het allemaal goed en wel om bijvoorbeeld het recht op Nederlandstalig onderwijs in Vlaanderen wettelijk vast te leggen, maar als daar geen praktische stappen toe genomen worden, dan blijft de situatie zoals ze is. En er waren nog meer grieven, zoals het feit dat het Frans nog steeds de officiŽle taal was binnen het Belgische leger. Aan de vooravond van WOI zouden daar twee eisen bijkomen: een Nederlandstalige universiteit in Gent en de "administratieve scheiding" van BelgiŽ in Vlaanderen en WalloniŽ. De Duitse bezetter zou hier via een perfecte "verdeel-en-heers"-strategie (Flamenpolitik) handig op in gaan spelen, maar dat leest u volgende keer!

Bronnen:
(1): REYNEBEAU Marc. Het klauwen van de leeuw. Van Halewijck, Leuven, 1995, p.38
(2): In BelgiŽ bestond er een "cijnskiesrecht" waarbij het stemrecht gekoppeld was aan de hoeveelheid belasting (cijns) die iemand betaalde. Door het "meervoudige stemrecht" mochten weliswaar alle mannen (vanaf 25 jaar) gaan stemmen, maar hadden de rijken en invloedrijken, meerdere stemmen. Na WOI werd het "enkelvoudig stemrecht" ingevoerd, waarbij elke man ťťn stem had. De vrouwen kregen pas in 1948 stemrecht in BelgiŽ.
(3): Uit Wikipedia: "Na wat plundertochten in het noorden van Frankrijk door de Vlamingen zegden zij in het voorjaar van 1304 het bestand op met Holland. De Vlamingen trokken om Zierikzee Holland en Utrecht binnen. (Ö) Utrecht, Leiden en Delft werden ingenomen."
(4): BOEVA Luc. "Pour les Flamands la mÍme chose." Hoe de taalgrens ook een sociale grens was. Bijdragen Museum van de Vlaamse Sociale Strijd nr.11. Provinciebestuur Oost-Vlaanderen, Gent, 1994, pp.15-22
(5): REYNEBEAU, o.c., p.117
(6): Zo overdreef hij de aantallen van de legers en stelde hij het voor alsof er dubbel zoveel Franse ridders waren tegenover het Vlaamse voetvolk, terwijl het eigenlijk ongeveer fifty fifty was. Verder dichte hij Robrecht van Bťthune een glansrol op het slagveld toe, terwijl die eigenlijk in een Franse gevangenis zat.
(7): REYNEBEAU, o.c., p.135
(8): Wikipedia, "vermooschen" is West-Vlaams dialect voor "verknoeien"

(uit: Alert!, nummer 3, september 2010. Alert! is een uitgave van de Anti-Fascistische Actie Nederland - AFA)

terug naar inhoud