Hongarije

Fascisme en antifascisme in Rusland

Onze correspondent

In het laatste nummer van Alert! is er al enigszins aandacht besteed aan fascisme in Rusland. Vooral de vele moorden, die elk jaar weer gepleegd worden op buitenlandse studenten, immigranten, antifascisten en mensen die behoren tot de grote groep etnische minderheden, springen in het oog. Russisch fascisme komt naar Europese maatstaven veel extremistischer over dan wat we 'gewend' zijn. Voor de Russen zelf ligt dat anders omdat men veel meer gewend is aan totalitaire en racistische ideeën, geweld op straat en pure machtspolitiek. Het is daarom nuttig om Russisch fascisme ook in een wat breder kader te bekijken.

kaart
Historisch gezien komt het fascisme in Rusland voort uit reactionaire bewegingen, die aan het einde van de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw ontstonden. Deze bewegingen kenmerkten zich door hun loyaliteit aan de tsaar, de toenmalige alleenheerser in Rusland, hun religieuze en nationalistische gevoelens ten opzichte van Rusland als 'Orthodox Christelijke eenheid' en de daarmee samenhangende afkeer ten opzichte van mensen die behoren tot andere geloofsgemeenschappen of etnische groepen en niet te vergeten politieke tegenstanders, de toenmalige revolutionairen. De meest beruchte reactionaire beweging was "De Zwarte Honderd", verantwoordelijk voor een groot aantal pogroms tegen de Joodse bevolking in het Westen van het toenmalige Rusland.
De revolutie van februari 1917 maakte een einde aan de macht van de reactionairen, alhoewel de invloed van het reactionaire denken op de vloedgolf van Russische emigranten niet moet worden onderschat. In de jaren dertig bijvoorbeeld werd er door Russische emigranten in China een nationaal-socialistische partij opgericht. In Europa waren vele Russische emigranten actief in het verspreiden van antisemitische propaganda, waarop gretig werd ingesprongen door West-Europese fascisten, die het waanbeeld van een "Joods-Bolsjewistisch complot" maar al te goed uitkwam. In Sovjet-Rusland kwam het antisemitisme sterk op vanaf de toenadering tot nazi-Duitsland in 1938 tot de dood van dictator Jozef Stalin in 1953.

In de voormalige Sovjet-Unie speelden de Spaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog, officieel aangeduid als de "Grote Patriottische Oorlog" een grote rol in het antifascistische bewustzijn. Vergelijkingen, wat betreft het totalitaire karakter van het regime, inclusief dictatuur en concentratiekampen waren er wel, maar behoorden niet tot het geproclameerde antifascisme, dat als een strijd tegen de imperialistische vernietigingspolitiek van Westerse mogendheden werd voorgesteld. Ondertussen volgde na het einde van de Tweede Wereldoorlog een periode van jodenvervolging inclusief plannen voor massadeportaties van Joden naar de "Joodse Autonome Republiek" rond het stadje Birobidjan nabij de Chinese grens. Mensen, die tijdens de oorlog een belangrijke rol hadden gespeeld door hun moedige houding, zoals de componist Sjostakovitsj en de dichteres Achmatova, werden het slachtoffer van staatsrepressie en sommigen, zoals de voorzitter van het antifascistisch comité Michoëls, werden geliquideerd door de geheime politie.
In de buitenlandse politiek van de Sovjet-Unie in de jaren '50 werd voor het eerst gesproken van "antizionisme", waaronder men in de eerste plaats de (wapen)hulp aan Arabische staten verstond. Het doel van deze hulp was de liquidatie van de staat Israël. Antisemitisme werd daarmee verheven tot een instrument om politieke eenheid te bewerkstelligen tussen de Sovjet-Unie en de nieuwe nationalistische en socialistische Arabische staten. Het is niet moeilijk om een parallel te trekken naar de Midden-Oosten politiek van nazi-Duitsland voor de Tweede Wereldoorlog en die van de Sovjet-Unie tijdens de Koude Oorlog.

In de jaren '80 werd duidelijk dat de Sovjet-Unie de Koude Oorlog verloren had. Het Sovjetsysteem stagneerde en was niet meer in staat de oorlogsinspanning te leveren, die van haar verwacht werd. Het idee om het systeem om te bouwen (perestroika betekent ombouw) leidde tot een zoektocht naar nieuwe ideologie om de mensen opnieuw tot een grote inspanning te motiveren. Dit resulteerde in meer ruimte voor andere ideeën en zo kwam het nationalisme, wat voor die tijd alleen in bepaalde delen van de dissidentenbeweging en in het buitenland had geleefd, bovengronds. Een bekende en nog immer actieve organisatie uit die tijd is "Pamjat", wat zowel herinnering als geheugen betekent.
Na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, mede onder druk van nationalistische bewegingen in de in Europa liggende satellietstaten, ontstond er in Rusland een hele brede beweging van allerlei nationalistische groeperingen en stromingen. We kunnen ze ruwweg opdelen in vier groepen

1. Traditionele reactionairen, die zich baseren op het gedachtegoed van "de Zwarte Honderd" en andere prerevolutionaire reactionairen. Tot deze groep behoren o.a. monarchisten en nationalisten binnen de Orthodoxe kerk. Voor deze groep was en is met name het revanchisme ten opzichte van "het Joods-Bolsjewistisch complot" van belang.
2. Het nationaal patriottische blok van communistische en nationalistische partijen, dat naast sociale rechtvaardigheid als hoofddoel het herstel van Russische hegemonie en een Unie van Slavische volkeren nastreeft. Voor deze groep is het uiteenvallen van de Sovjet-Unie de grootste catastrofe en uiteraard is dit volgens hen te wijten aan een complot vanuit het "wereldwijde Joodse grootkapitaal".
3. Nationaal-socialisten en andere extremistische nationalisten, die Rusland tot elke prijs willen zuiveren van alles wat niet Russisch is en een totalitaire staat nastreven. Voor hen zijn het liberalisme en de huidige staatspolitiek (door hen aangeduid als Zionist Occupation Government, de vermeende joodse wereldheerschappij) de grootste problemen.
4. De Liberaal-Democratische Partij van Rusland (LDPR) is een geval apart, vanwege de vreemde mix van populisme, nieuw-rechts gedachtegoed, maar ook liberaal pragmatisme, wat het gedrag van deze partij in de Russische politiek kenmerkt. Hoewel haar leider Zhirinovski openlijk praat over de noodzaak van etnische zuiveringen en de dictatuur als een succesvolle en effectieve staatsvorm voor het scheppen van economische welvaart, heeft hij zich wel aangesloten bij het antifascistische blok van politieke partijen tegen politiek extremisme, wat eerder dit jaar werd opgericht.

Het begrip antifascisme wordt in Rusland zeer verschillend uitgelegd. Aan de ene kant is er het historische antifascisme uit de Sovjet-geschiedenisboeken, voornamelijk verhalen over het lijden, het heldendom en de overwinning van het Russische volk. De "Verenigd Rusland" partij doet hardnekkige pogingen om dit antifascisme uit de mottenballen te halen en doopte zelfs haar jongerenafdeling om in "Jonge Garde", naar een van een partizanengroep uit de Tweede Wereldoorlog die uit scholieren bestond. De "Jonge Garde" richt haar speerpunten voornamelijk tegen de Nationaal-Bolsjewistische Partij (NBP), de inmiddels verboden nationalistische en antikapitalistische beweging rond de schrijver Eduard Limonov en tegen de discriminatie van etnische Russen in Letland. Daarnaast waren er ook protestacties tegen de moord op de Afrikaanse student Samba Lampsar, die samen met de "Jonge Garde" op scholen voorlichting gaf over Afrika en Afrikanen. Vrijwel haaks op dit door het politieke establishment gesponsorde antifascisme staan de inspanningen vanuit liberale en linkse kringen. Hier gaat het met name om het analyseren van het verleden en heden van het fascisme in Rusland en het vinden van passende antwoorden op fascistische en racistische ideeën in de samenleving en het geweld, wat daaruit voortkomt. Het heeft veel minder te maken met de politiek van het zoeken naar een vijand, en veel meer met het bestrijden van reëel bestaande problemen, zoals de verspreiding van racistische en fascistische leugens in de media en in het onderwijs of de overvallen op buitenlandse studenten en jongeren uit alternatieve subculturen. Voorlichting speelt een belangrijke rol onder andere het optreden van antifascisten als getuige-deskundigen in rechtszaken tegen neonazi's, maar ook het werk op scholen met migranten en etnische minderheden, gericht op integratie door een nadere kennismaking met andere culturen. Daarnaast gaat het ook om het direct reageren en ageren tegen uitingen van fascisme, van het weghalen van fascistische graffiti tot het verstoren van fascistische bijeenkomsten. Dit is vooral het werk van kleine losse subculturele groepen van vrienden, die in de meeste gevallen nazi-geweld aan den lijve hebben ondervonden.

Antifascistische jongeren vallen DPNI-demonstratie aan, St. Petersburg 17 september 2006
aanval
Het antifascisme in Rusland is vooral een zaak van een kleine politieke elite, die het moet opnemen tegen de inspanningen van een massa organisaties en individuen, die samen veel groter en invloedrijker zijn. In de jaren '90 leek het er even op, dat de nationaal patriotten onder leiding van Zjoeganov aan de macht zouden kunnen komen, maar met de machtsgreep vanuit een groep kopstukken uit de Peterburgse geheime dienst en ambtenarij, geleid door de huidige president Poetin, kwam er aan dat vooruitzicht een einde. De huidige strategie van fascistische organisaties en individuen ten opzichte van het regeringsbeleid ligt vooral in het lobbyen en campagnevoeren rond bepaalde thema's. De demografische crisis en immigratie zijn voorbeelden van zulke thema's.
Een van de meest in het oog springende groepen van het afgelopen jaar is de "Beweging tegen Illegale Immigratie (DPNI). Dit is een kleine en effectieve organisatie, die met ruggesteun van de LDPR en inzet van voetvolk uit neonazi kringen campagne voert tegen immigranten en etnische minderheden. Ze richten zich met name op concrete gevallen van criminaliteit veroorzaakt door immigranten of etnische minderheden en proberen daar met veel vlagvertoon een publicitair slaatje uit te slaan. In veel gevallen gaat het ook om het aanzetten en/of profiteren van geweld, zoals in een aantal steden in de buurt van Novosibirsk, waar een aantal Roma gemeenschappen werden aangevallen door lokale maffia, in wat werd afgedaan als een afrekening met drugshandelaren.

In september 2006 organiseerde de DPNI een pogrom tegen plaatselijke immigranten in het provincie-stadje Kondopoga in het Noordwesten van Rusland. Een vechtpartij, uitgelokt door een voormalige huurmoordenaar (etnische Rus) en met grof geweld door inderhaast opgetrommelde uitsmijters (Tsjetsjenen) beëindigd, waarbij twee jonge omstanders omkwamen, werd door de DPNI gebruikt als alibi, om samen met lokale jongeren zaken van immigranten aan te vallen. Daarna volgde er een manifestatie, officieel om de twee overleden mannen te herdenken, maar waarin vrijwel meteen het vertrek van alle buitenlanders uit Kondopoga geëist werd. De menigte werd daarna via het gemeentehuis naar het centrum geleid, waar men begon met het aanvallen van de disco, waar de vechtpartij had plaatsgevonden. Inmiddels was de OMON (Russische oproerpolitie) gearriveerd, die de menigte de straat afveegde en meer dan 100 mensen arresteerde. DPNI leider Alexander Potkin, die zich voor de camera's altijd Belov (letterlijk "behorend tot de blanken") noemt, was er als de kippen bij om in Kondopoga de menigte en de pers te woord te staan om vervolgens dezelfde dag in Moskou hetzelfde te doen.
De DPNI paste in Kondopoga een effectieve tactiek toe. Vrijwel direct na het incident dook er een groepje activisten op, die namens de DPNI het stadje Kondopoga platfolderden, met een oproep om tegen de aanwezigheid van illegale migranten in het stadje te protesteren. Vervolgens werden er twee achtereenvolgende nachten zaken en huizen van migranten aangevallen. Daarna werd er middels internet blogs opgeroepen voor de manifestatie als middel om af te rekenen met de buitenlanders in Kondopoga. Ondertussen probeerde de DPNI om via de nationale pers het vuur aan te wakkeren, door de feiten te verdraaien. Zo zouden volgens hun versie niet twee maar vier jongeren zijn omgekomen en zouden de Tsjetsjenen hun de keel hebben doorgesneden als in een rituele moord. De DPNI maakte zowel in hun publiciteit als tijdens de manifestatie heel handig gebruik van de moeder van een van de vermoorde jongens, door haar keer op keer de onschuld van haar zoon te laten verklaren om daarmee hun eigen racistische geweld rechtvaardig en geloofwaardig te maken.
Pogingen van de DPNI om her in der in Rusland "solidariteitsacties" op te zetten hadden wisselend succes. Dit was het moment waarop antifascisten zich voor het eerst lieten gelden. Een DPNI manifestatie in Petrozavodsk werd verstoord door een kleine groep lokale antifascistische jongeren, versterkt door enige vrienden en vriendinnen uit Sint-Petersburg. Het podium werd bezet en een spandoek ontrold. De politie in Petrozavodsk besloot daarop om in te grijpen en ontbond de manifestatie. Behalve in de lokale pers was er voor deze mislukte manifestatie en de tegenactie weinig aandacht.
Een week later vond er in Sint-Petersburg een soortgelijke DPNI manifestatie plaats. Ook dit keer werd er vanuit antifascistische kringen een tegenactie uitgevoerd. De antifa, een losse coalitie van groepen jongeren behorend tot verschillende subculturen, slaagde erin de DPNI te verjagen. DPNI activisten, gewapend met messen en houten hamers, wisten op hun beurt verschillende antifascisten te verwonden. OMON eenheden werden aangerukt en na een klopjacht in de omgeving werden tientallen antifascisten en DPNI-activisten aangehouden. Tijdens hun verblijf op het dichtstbijzijnde politiebureau werden verschillende aangehouden antifascisten mishandeld. Een van hen werd op aanwijzing van DPNI-activisten in verzekerde bewaring gesteld en heeft uiteindelijk een week doorgebracht in de beruchte "Krestie" (Kruizen) gevangenis. De politie liet weer eens duidelijk haar sympathie voor de DPNI blijken. Ook de pers droeg haar steentje bij en liet de als altijd overdreven DPNI-versie van de gebeurtenissen vrijelijk de ronde gaan.

Neonazi gevloerd na confrontatie met antifascisten in een metrostation, Moskou 18 november 2006
gevloerd
De week erna liep een DPNI demonstratie ongehinderd en beschermd door een zwaar kordon OMON agenten door de stad. Dit keer waren er ook neonazi-activisten van de "Slavjanski Sojoez" (Slavische Bond) en de Nationaal Republikeinse partij bij. Diezelfde avond werd er door demonstranten die aan de DPNI demonstratie hadden deelgenomen een Indiase student vermoord. Op de plek van de moord werden bloemen gelegd en kaarsen aangestoken. 's Nachts werden deze vernield door neonazi's, die volgens omstanders werden geholpen door politieagenten. Deze situatie is zeer typerend voor Rusland en draagt er ongetwijfeld toe bij dat er zoveel racistisch gemotiveerde moorden plaatsvinden. Gelukkig verschenen er ditmaal wel kritische stukken in de lokale media.
Ondertussen werkte de DPNI hard verder aan de organisatie van de zogenaamde "Russische Mars", een demonstratie van nationalistische groepen op 4 november in het kader van "de dag van de volkseenheid" (een officiële feestdag om het (multi-)nationale karakter van de Russische Federatie vorm te geven.) Zowel in Moskou als in Sint-Petersburg werd de "Russische Mars" verboden. Desalniettemin bleven de DPNI en andere nationalistische groepen vasthouden aan hun plan om te demonstreren. In Moskou leidde botsende ideeën over het doel van de "Russische Mars" tot een splitsing tussen de DPNI aan de ene kant en de neonazi's van anti-antifa groep Format 18. Het ging met name om het voorstel van de anti-antifa om een manifestatie van liberale partijen en mensenrechtenorganisaties aan te vallen. Zowel voor de DPNI als voor de neonazi's is de "Russische Mars" geen succes geworden. In Sint-Petersburg werd de mars, waar enige honderden nationalisten op af waren gekomen, in eerste instantie door de politie gedoogd, maar even later tot een halt gebracht door ruim 40 antifascisten, die hun de doorgang versperden. Nazi-hooligans van de Peterburgse voetbalclub Zenit gingen uiteindelijk tot de aanval over, waarna de OMON, die had staan toekijken, de menigte met traangas uiteenjoeg en enige honderden aanhoudingen verrichtte. Ook in Moskou werden op deze dag veel aanhoudingen verricht. De anti-antifa durfde het niet aan om de politiekordons ter bescherming van de antifascistische manifestatie in Moskou te doorbreken en moest onverrichter zake huiswaarts keren.
Enige weken na de mislukte "Russische Mars" kregen de anti-antifa activisten andermaal de kous op de kop, toen ze na een wilde achtervolging op een veel kleinere groep antifascisten in de Moskouse metro plots tegenover een overmacht van antifascisten kwamen te staan. Een tiental anti-antifa's, onder andere activisten van de "Slavjanskie Sojoez", moesten worden opgenomen in een aantal ziekenhuizen in Moskou. Helaas weerhoudt dit er hun "wapenbroeders" niet van om keihard door te gaan met moorden. Op 18 november werd er een jongen van Armeense afkomst door neonazi's vermoord. Andermaal weigerde de politie de zaak als een racistische moord in behandeling te nemen.

Van onze correspondent in St. Petersburg

terug naar inhoud