Boekbespreking 'Lords of the Land'

Jeroen Bosch

Half september bericht NRC-Handelsblad, dat de Israelische regering overweegt 200.000 Euro per kolonistengezin uit te willen trekken, in geval deze de bezette Palestijnse gebieden verlaten. Zij schat in, dat bijna 20 procent van de kolonisten in een dergelijk anbod is geÔnteresseerd. Maar deze regeling geldt uitsluitend voor die gezinnen, die aan de Palestijnse zijde van de Muur wonen; dezelfde Muur die het grootste deel van de 500.000 kolonisten (inclusief Oost-Jeruzalem) illegaal aan de Israelische zijde heeft doen belanden. Aan de oostelijke kant wonen zo'n 60.000 kolonisten. Maar waarom zou de Israelische regering hen weg willen hebben, als zij al 40 jaar een beleid heeft om het bouwen van nederzettingen nauwelijks een strobreed in de weg te leggen, sterker nog, dit te ondersteunen met privileges, subsidies, bescherming en eigen wegen? Hoe zit het eigenlijk met de verhouding tussen de kolonistenbeweging en de Israelische overheid? Wie zijn die kolonisten eigenlijk?

Vorig jaar verscheen het boek Lords of the Land, The War over Israel's Settlements in the Occupied Territories, 1967-2007, geschreven door de Israelische historicus Idith Zertal en de politiek commentator van het Israelische dagblad Ha'aretz, Akiva Eldar. Zij maken direct korte metten met de mythe dat Israel na de oorlog van 1967 de controle op de Westelijke Jordaanoever overnam als reactie op Palestijns 'terrorisme'. Op 14 juni 1967 presenteerde de MOSSAD [Israels buitenlandse inlichtingendienst] de uitkomst van een onderzoek, dat in opdracht van de Israelische strijdkrachten (IDF) was verricht: de grote meerderheid van de Palestijnse leiders op de Westelijke Jordaanoever, inclusief de meest radicale onder hen, zou bereid zijn om een permanent vredesvoorstel te ondersteunen, op basis van een onafhankelijk Palestina zonder leger. Niet onredelijk zou je zeggen, maar het rapport verdween in een la. Een paar dagen later waarschuwt Yigal Allon, een ijzervreter van de commando-eenheid Palmach, tijdens een bijeenkomst van de regering, tegen de teruggave van ook maar een enkele 'inch' van de Westelijke Jordaanoever en verklaarde, dat als hij moest kiezen tussen 'het totale gebied inclusief de Arabische [Palestijnse] bewoners of het opgeven van de Westelijke Jordaanoever, dat hij dan voor het eerste zou kiezen.' Dit concept domineert nu al decennia het denken van Israels politieke elite. Daardoor overtreedt Israel niet enkel internationale rechtsregels, maar ook de eigen wetgeving.

De studie van Zertal en Eldar legt genadeloos bloot hoe in de jaren zeventig de Israelische regering en de kolonistenbeweging regelmatig botsten vanwege tegenstrijdige belangen: Israel ziet de joodse kolonisten als middel om de bezetting te intensiveren, de kolonisten zien de regering als middel om hun eigen projecten door te drukken. Vrijwel altijd trekken de laatsten daarbij aan het langste eind, doordat zij de ontruiming van nederzettingen weten te voorkomen. Door de jaren heen heeft een prominent politicus als Shimon Peres lippendienst bewezen aan zijn eigen stelling 'dat de kolonisten van Gush Emunim, ondanks dat het goede kolonisten [sic] en goede burgers zijn, zij de politiek van Israel niet moeten domineren'. Peres is altijd een verdediger van de kolonisten gebleven en heeft zich nooit gerealiseerd Ė althans heeft daarvan nooit blijk gegeven - dat het een illusie is om zowel de kolonisten tevreden te houden, als de optie van een compromis met de Palestijnen open te houden, ook niet toen in 1977 zijn Arbeiderspartij door steun van de kolonisten voor hun concurrent door Likoed werd verslagen. Sindsdien is er geen politieke strijd, geen publiek debat over de toekomst van Israel of over de toekomst van de in 1967 bezette gebieden gevoerd, zonder dat de kolonisten dit geÔnitieerd hebben of domineerden, zo concluderen Zertal en Eldar.

In het eerste hoofdstuk wordt beschreven hoe de joodse kolonisten met militaire precisie hun doelen uitzocht en strategisch opereerden bij het bezetten van een stuk grond. Niet vreemd wanneer je bedenkt, dat zo'n beetje elke Israeli in het leger heeft gezeten en vormt vanuit die optiek een groot gevaar voor de Staat. De kolonisten, zelf militairen, en de militairen die op de Westelijke Jordaanoever opereren, hebben voor zichzelf een wetteloos vacuŁm gecreŽerd, waarin beide groepen samenwerken en elkaars misdaden afdekken. Voeg daarbij de positie van de IDF in de gemilitariseerde samenleving die Israel is, en het idee dat de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever ooit ontruimd zullen worden, is verder weg dan ooit.

Terug naar 1977. Likoed-leider Menachim Begin bezocht direct na zijn verkiezing tot premier de joodse nederzetting Qadoem en verklaarde daar dat 'Judea en Samaria [kolonistentaal voor de Westelijke Jordaanoever] niet door Israel geannexeerd moesten worden', en wel 'omdat het hoe dan ook ons land is en het niet gaat om land dat aan anderen toebehoort'. De kolonisten voelden zich gesterkt door deze openlijke steun en zochten Begin in zijn appartement in Tel Aviv op om hem een plan te presenteren voor de bouw van 12 nieuwe nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever. Begin was enthousiast, de ministers Ariel Sharon en Ezer Weizman eveneens. Maar de kwestie heeft nadien, als gevolg van licht Amerikaans tegengas, nogal wat stof doen opwaaien. Zertal en Eldar beschrijven woordelijk hoe gesprekken destijds verliepen. De verhalende verteltrant maakt alsof je met de hoofdpersonen in ťťn kamer zit.

De grootste operatie van de kolonistenbeweging vond plaats in 1978, toen Israel en Egypte in Camp David een vredesregeling overeenkwamen. Daarop lanceerden de kolonisten van Gush Emunim een 'alternatief vredesplan', dat ondermeer inhield, dat er vůůr het einde van de 20e eeuw 1 miljoen joden op de Westelijke Jordaanoever moesten worden gevestigd. Twee dagen na de besprekingen in Camp David trokken kolonisten naar de berg Elon Moreh in Hawara, vlakbij de grote Palestijnse stad Nabloes, om daar een nederzetting te stichten. Aanvankelijk zonder succes. Een publiciteitscampagne waarbij de beelden van 'heilig verklaarde' kolonisten die door Israelische soldaten werden verwijderd, of met hun kinderen in weer en wind langs de weg bleven demonstreren, maakte evenwel in Israel diepe indruk, waarna Elon Moreh door de regering aangewezen werd als een plaats voor een toekomstige nederzetting. Sharon zoekt vanuit een helikopter een heuvel uit en laat de grond, die in privť-bezit is, confisqueren. Vervolgens steken zij met behulp van graafmachines, helikopters en het leger 'een dolk, diep in het hart van het 'Palestinisme', zoals de kolonisten de operatie zullen aanduiden. Nadien zou de nieuwe nederzetting, na een rechtszaak die door de Palestijnse eigenaren van de grond was aangespannen, opnieuw ontruimd worden. Dat was mede door toedoen van internationale druk, die weer samenhing met de vredesgesprekken met Egypte (en de toekomstige ontruiming van nederzettingen in de Sinai-woestijn).

Uit de kolonistenbeweging komt ook een terreurgroep voort, die een aantal aanslagen op Palestijnse burgemeesters pleegt en het plan opvat om de Rotskoepel-Moskee van de Tempelberg te 'verwijderen'. Zover komt het in het laatste geval niet, maar als de groep zes bussen vol met Palestijnen willen opblazen, grijpt de Shin Beth [de Israelische binnenlandse inlichtingendienst] in en arresteert 25 van haar leden. De lage straffen die zij krijgen, worden in de kolonistenbeweging met gejuich ontvangen.

In juli 1982 komt de ultrarechtse Tehiya-partij in de Knesset. Haar leider, Yuval Ne'eman komt aan het hoofd te staan van het 'kolonistencomitť' in het parlement. Binnen twee jaar later heeft dit comitť de bouw, uitbreiding, dan wel consolidatie van 82 nederzettingen goedgekeurd. In de periode 1977 (toen Likoed aan de macht kwam) tot eind 1983 keurde de regering de vestiging goed van 103 nederzettingen, tegen 22 in de eerste 10 jaar van de bezetting.

In 1992 belooft de nieuwe premier van de Arbeidspartij, Yitzhak Rabin, aan de Verenigde Staten de bouw van nederzettingen te bevriezen en het aantal in aanbouw zijnde objecten neemt af van 6200 in 1992 tot 980 in 1993. Er lijkt een periode van ontspanning aangebroken te zijn, tot op 25 februari 1994 kolonist Baruch Goldstein in Hebron 29 biddende Palestijnen vermoord en nog eens 125 van hen verwond. Dit inspireert Yigal Amir om op 4 november 1995 premier Rabin te vermoorden. De chaotische periode van de belofte van Rabin tot de periode na zijn dood wordt in duizelingwekkende, in elkaar rap opvolgende verhalen verpakt, zeer boeiend beschreven. De uitspraak 'de rest is geschiedenis' gaat hier niet op, want deze geschiedenis en de verbanden die de auteurs tussen verschillende gebeurtenissen leggen, evenals tussen de (dreigende druk van) kolonisten en het gedrag van bepaalde politici, zijn niet eerder zo gedocumenteerd.

Het antwoord op de vraag wie die kolonisten nu eigenlijk zijn en wat hen drijft, is niet eenduidig. De meerderheid wordt niet gedreven door een eenduidige ideologie, maar bindend element is de eenvoudige opvatting dat het sowieso hun land is. Veel kolonisten komen direct uit de Verenigde Staten ingevlogen, aangetrokken door advertenties over landelijk en goedkoop wonen in prachtige Americain style villa's en beseffen nauwelijks dat zij in bezet gebied komen te wonen. Sommige zijn seculier, anderen zijn ultraorthodox en zelfs tegenstander van het project Israel, dat immers Groot-Israel niet als het Koninkrijk op Aarde ziet, maar dat begrensd wordt door aardse zaken als veiligheid en economische overwegingen. De drijvende kracht achter de kolonistenbeweging is evenwel een kleine, religieus-nationalistische groep, die beschouwd wordt als de meest behendige politieke manouvereerders van het land en die in Israel beschikken over een uitstekend netwerk van contacten en medestanders op alle niveaus. Haar ideologie is er een van religieus messianisme, gecombineerd met extreem nationalisme. Daarbij is er sprake, zo wordt in september en oktober ook in de Nederlandse media gemeld, van toenemend geweld tegen Palestijnse families en boeren, tot aan een bomaanslag op een Israelische criticus van de kolonistenbeweging, Ze'ev Sternhell.

De huidige generatie lijkt nog radicaler dan haar voorganger. Deze is deels geboren en getogen in de nederzettingen. In 1998 voelden zij zich, na het onder Amerikaanse druk tot stand gekomen Wye River-akkoord tussen Israel en de Palestijnen, aangespoord door Sharons oproep via de radio om zoveel mogelijk 'heuveltoppen in bezit te nemen' en 'ons territorium uit te breiden'. Deze 'heuveltopjongeren' vormen inmiddels een aparte groep. Sommigen zijn nog geen 18 jaar, zijn schoolverlaters, dan wel weggelopen van huis en hebben een gesloten subcultuur gecreŽerd van geweld tegen zowel Palestijnen als vertegenwoordigers van de staat, die zij als 'vreemde overheersers' beschouwen. Ook leven sommigen in 'harmonie met de natuur' en hebben zich de leefstijl aangemeten van de oude HebreeŽrs en kleden zich als de pioniers van de eerste kibboetsen, begin vorige eeuw. Zij beschikken over wapens en explosieven, ondanks dat zij niet in het Israelische leger hebben gediend - iets dat hun collega-kolonisten als heilige plicht zien. Dit laatste veranderde overigens toen Sharon in de zomer van 2005 de nederzettingen in de Strook van Gaza liet ontruimen, waardoor de jongeren in het ultranationalistische kamp nog meer radicaliseerden.

Het laatste hoofdstuk van de studie gaat over de inktzwarte periode onder Sharon, die voor zijn uitverkiezing tot premier in 2000, omringd door (gewapende) politie-agenten de Haram al-Sharif / deTempelberg bezoekt. In de eerste zes maanden van zijn amtstermijn laat hij 30 nederzettingen bouwen, begint nadien met de bouw van de Muur, schenkt hij de joodse kolonisten op de Westelijke Jordaanoever en in de Strook van Gaza 350 miljoen en - cynisch genoeg Ė ontruimt in de zomer van 2005 de nederzettingen in Gaza. Zertal en Eldar zien dat als een typische Sharon-actie: met brute kracht, opportunistisch en zonder exit-strategie. Het doel was pragmatisch, namelijk om de geldverslindende bezetting van Gaza te beŽindigen en tegelijk de nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever verder uit te breiden en te consolideren. Een politiek van 'feiten op de grond', die door de opvolgers van Sharon is voortgezet.

Jeroen Bosch is freelance journalist

Idith Zertal & Akiva Eldar: Lords of the Land, The War over Israel's Settlements in the Occupied Territories 1967-2007; New York, Nation Books, 2007; 576 pp.; € 25,95

In de eerste helft van 2008, zo bericht het Settlement Watch Team van Peace Now, werden er in de bestaande nederzettingen 1000 nieuwe gebouwen, met daarin 2600 woningen, gebouwd, waarvan 55 procent aan de oostzijde van de Muur. Het Ministerie van Huisvesting nam in de periode januari-mei 2008 het initiatief tot de bouw van 433 nieuwe woonhuizen (tegenover 240 in 2007). Voorts werden er 125 nieuwe bouwsels, waaronder 30 permanente huizen, toegevoegd in de zogeheten outposts (doorgaans een verzameling caravans), die zonder toestemming van de Israelische regering zijn gesticht, maar in de praktijk veelal de voorloper zijn van een permanente nederzetting. Het aantal inschrijvingen voor de bouw van woningen in de nederzettingen is alleen al in de periode januari-augustus van dit jaar met ruim 500 procent gestegen. In Oost-Jeruzalem lag het percentage zelfs nog hoger.

Hebron is vanwege de aanwezigheid van de graven van de Aartsvaderen (en moeders) voor zowel joden als moslims een heilige stad (voor moslims na Mekka, Medina en Jeruzalem de vierde heilige stad), is de meest bizarre situatie die door joodse kolonisten is gecreŽerd. Door de eeuwen heen leefden joden en moslims daar vreedzaam met elkaar samen. Maar dat veranderde door de komst van de zionisten in de jaren twintig van de vorige eeuw. Geruchten dat zionisten Palestina zouden komen innemen en in Jeruzalem Palestijnen vermoordden, leidden ertoe dat een groep nationalistische Palestijnen de joodse wijk van Hebron binnentrokken en 67 joden ombrachten. Die joden, die het bloedblad overleefden, hadden dit te danken aan hulp van hun moslimvrienden. De joodse overlevenden verlaten vervolgens de stad, hoewel nadien zo'n 160 van hen zonder problemen terugkeren. In 1936 worden zij door de Britten, na het uitbreken van de Palestijnse opstand over heel Palestina verspreid. In 1968 - en dit staat uitvoerig in Lords of the Land beschreven Ė nadat Hebron een jaar eerder door het Israelische leger is bezet, gaan 30 joodse fundamentalisten in een hotel, midden in de stad, Pasen vieren. Zij zijn vervolgens niet van plan daar weg te gaan, maar worden later naar een nabijgelegen militaire basis overgebracht, die later zou uitgroeien tot de enorme nederzetting Kiryat Arba. De joodse kolonisten beroepen zich op de joodse aanwezigheid in Hebron in het verleden, maar de toenmalige joodse inwoners van de stad distantiŽren zich juist van hen. In 1996 tekenen bijvoorbeeld 40 van hen een petitie, waarin zij de evacuatie van de kolonisten bepleitten. Op dit moment wonen 500 joodse fundamentalisten in vier concentraties in de Oude Stad van Hebron, in een gebied dat door maar liefts 4000 Israelische soldaten wordt bewaakt. Het leven van de 45.000 Palestijnse inwoners in de stad wordt door de aanwezigheid van de kolonisten onmogelijk gemaakt. De ooit bloeiende handel in de binnenstad is de nek omgedraaid en veel bewoners zijn letterlijk weggejaagd door extreem gewelddadige kolonisten, die vervolgens in hun huizen in bezit nemen. Doel is uiteindelijk de nederzettingen (eigenlijk kraakpanden) in de Oude Stad te verbinden met de naast de gemeentegrens gelegen nederzetting Kiryat Arba, zodat Hebron een joodse stad wordt.

bron: Alternative Information Centre [West-Jeruzalem], Occupation in Hebron; www.alternativenews.org

Waarom nederzettingen? In essentie vervullen de nederzettingen dezelfde functie als elke andere koloniale onderneming: de controle over grond, natuurlijke hulpbronnen, strategische punten. Nederzettingen zijn onderdeel van het controlesysteem van Israel in de bezette gebieden, samen met de zogeheten bypass roads, die voor exclusief gebruik door kolonisten en militairen zijn, en voorts militaire bases en checkpoints. Logischerwijs controleren de nederzettingen, die exclusief door joden bewoond worden, ook de fysieke ruimte, in die zin dat Palestijnen het door hen bewoonde gebied niet kunnen ontwikkelen. De bouw van nederzettingen heeft de verwoesting van vele delen vruchtbare landbouwgrond van Palestijnen tot gevolg gehad. Cruciaal is ook de locatie van de nederzettingen, die vaak op of rond waterreservoirs en bronnen zijn gebouwd [zie elders dit nummer van Soemoed de rol van water in Israels kolonisatiepolitiek; red.]. Van cruciaal belang voor Palestijnen is het gebied dat wordt aangeduid met E1, en dat zich uitstrekt tussen Oost-Jerusalem en Ma'ale Adoemin, inmiddels de grootste joodse nederzetting op de Westelijke Jordaanoever. Het gebied vormt de laatste open verbinding tussen Oost-Jerusalem en de rest van de Westelijke Jordaanoever. Maar E1 dreigt met huizen voor joodse kolonisten volgebouwd te worden.

Eerder verschenen in Soemoed, de tweemaandelijkse uitgave van het Nederlands Palestina Komitee, jaargang 36, nummer 5, september-oktober 2008. Voor een jaarabonnement, maak Ä 32,50 over op giro 2047409 t.n.v. Stichting Palestina Publikaties, Amsterdam. Zie ook www.palestina-komitee.nl

back