Oush Grab: Frontlinie tegen kolonisten

Oush Grab (Arabisch voor Kraaiennest) - een heuvel nabij Beit Sahour op de Westelijke Jordaanoever, waar zich tussen jarenlang een Israelische militaire basis bevond - is ongewild een van de frontlinies geworden tussen Palestijnen en de in toenemende mate agressief opererende joodse kolonistenbeweging.

Vóór 1948 was de strategische plek in handen van de Britten en tot 1967 in gebruik van het Jordaanse leger, die het gebied destijds van Palestijnen kochten. Sinds 1967 valt het onder de zeggenschap van de gemeente Beit Sahour. Toen de Israeli's het gebied bezetten, rekten zij de grenzen van de basis op en confisqueerden daarbij grond van Palestijnen. Gebouwen en woonhuizen in de nabije omgeving zijn in de loop der jaren als gevolg van beschietingen vanuit de basis verwoest. Gedurende de nacht was de basis continue helverlicht en zochten zoeklichten het stadje Beit Sahour af. De geconfisqueerde grond is na de ontmanteling van de basis aan de oorspronkelijke eigenaren teruggegeven. Alleen de heuveltop staat nog onder direct Israelisch gezag.

Tijdens het bezoek van George Bush jr. aan Israel, medio mei 2008, doken plotsklaps zo'n 40 kolonisten bij Oush Grab op. Zij verklaarden daar een nieuwe joodse nederzetting te willen stichten, met de naam Shdema. Enerzijds was deze actie een protest tegen Amerikaanse druk op Israel om de bouw van joodse nederzettingen te bevriezen, anderzijds lijkt het een keerpunt in de strategie van de kolonistenbeweging. Nadia Matar van de kolonistenorganisatie Women in Green die de initiatiefnemers van de actie is, verwoordt het als volgt: 'Tot nu toe opereerde Gush Katif [kolonistenbolwerk] steeds reactief: wij wachtten met ons te organiseren tot de dag van de ontruiming. Maar dat is niet de manier gebleken. Wij moeten meer acties initiëren.'

De dagen daarop blijven joodse kolonisten komen, om vervolgens weer hun biezen te pakken. Palestijnse bewoners schilderen de dag nadat de kolonisten vertrokken zijn, samen met internationals uit Beit Sahour de gebouwen op, maken de heuvel schoon en vormen het gebied feitelijk om tot een publiek park. Zij plannen een spelletjesdag voor de kinderen uit Beit Sahour, de dag daarop organiseren zij daar een picknick. Weer een dag later wordt het avondprogramma van het Alternative Information Centre op de heuvel gehouden. De kolonisten reageren op dit alles furieus. De strijd om Oush Grab is wat hen betreft begonnen.

Op de spelletjesdag komen joodse kolonisten en Palestijnen oog in oog met elkaar te staan. De kolonisten roepen vervolgens de hulp van het Israelische leger in, die de spelers vijf minuten geeft om te vertrekken. Een week later is een groep van 40 kolonisten terug om anti-Arabische leuzen op de pas opgeschilderde gebouwen te kalken. In een gesprek tussen een international en een kolonist wordt duidelijk, dat de kolonisten weten dat de Gemeente Beit Sahour plannen heeft voor de bouw van een kinderziekenhuis op Oush Grab. De kolonisten stellen dat zo'n ziekenhuis maar in Jordanië gebouwd moet worden, waar alle Arabieren [sic; Palestijnen] maar moeten gaan wonen. De kolonisten doen onderzoek naar de organisaties die betrokken zijn bij de ontwikkeling van Oush Grab en noemen de internationals 'anarchisten, dezelfden die met onze soldaten bij Bi'lin [inzake bouw van de Muur] vechten en die enkel uit zijn op het ontmantelen van onze nederzettingen en uiteindelijk de vernietiging van Israel'. Ze lobbyen met dit verhaal actief bij leden van de regering en de Knesset. Een in dit verband opgestelde brief is ondertekend door een aantal rabbiijnen, de feitelijke leiders van veel nederzettingen.

De weken daarop organiseren Palestijnen opnieuw schilderactiviteiten op Oush Grab, een bingo (Israelische soldaten die komen kijken, moeten verward 'bingo' aan hun superieuren doorgeven) en een tour door het gebied voor de inwoners van Beit Sahour. Hierbij wordt door verscheidene groepen de politieke betekenis van Oush Grab belicht, zijn functie benadrukt als sociale ontmoetingsplaats en park (het is een van de weinige open gebieden waar kinderen veilig kunnen spelen), evenals de bescherming van flora en fauna in het gebied. Ook is een presentatie van de groep Decolonizing Architecture, die aangeeft hoe de 'structuren van de bezetting' - ontruimde joodse nederzettingen, ontmantelde militaire bases - in gemeenschapsruimten omgevormd kunnen worden.

Uiteindelijk sluit het Israelische leger de heuvel in juli af, maar stelt de kolonisten nog wel urenlang in de gelegenheid om hun racistische graffiti opnieuw op de gebouwen aan te brengen. Ook worden er allerlei religieuze rituelen uitgevoerd en wordt er gebeden. Kolonisten geven ook lezingen, met titels als 'Van vernietiging tot verlossing in Shdema'.

Kort daarop arriveren er 150, deels gewapende kolonisten, sommigen vergezeld van hun vrouwen en kinderen, om op Oush Grab de nacht door te brengen. De gemeente Beit Sahour blaast uiteindelijk een feest vlakbij de heuvel af. De dagen erna zijn er steeds kleine groepjes kolonisten op de heuvel aan het werk. Het kat en muis-spel gaat door. Eind juli bezoekt Louisa Morgantini, vice-voorzitter van het Europees Parlement, Oush Grab en wordt bijgepraat door diverse organisaties over de situatie van dat moment. Zij kent het gebied sinds 2002, toen er nog een militaire basis was gevestigd.

In weer een volgende stap, verklaart het Israelische leger Oush Grab voor beide groepen tot verboden gebied, maar laat in de praktijk joodse kolonisten gewoon hun gang gaan. In augustus zou het leger, volgens een bericht in een Israelische krant, de kolonisten met geweld hebben verwijderd. Eind augustus bezoeken een aantal Knesset-leden Oush Grab en roepen op tot verzet tegen de bouw van het kinderziekenhuis. Zij gaan voorbij aan het feit dat het een publiek park is geworden. Voorts beweren zij dat het gebied bij de nabijgelegen nederzetting Gush Etzion hoort.

Half oktober komen, met toestemming en onder bescherming van het Israelisch leger honderden kolonisten naar Oush Grab, om de joodse feestdag Sukkot te vieren en een begin te maken met de plaatsing van een soort caravans [doorgaans de eerste fase in de oprichting van een nieuwe joodse nederzetting; red.]. Soldaten arresteren kortstondig zes aanwezige Palestijnen en internationals (een van hen wordt daarop Israel uitgezet, omdat zijn verblijfsvergunning verlopen is). Soldaten nemen een huis in en weren journalisten uit het gebied. De kolonisten paraderen intussen op de heuveltop.

De ambivalente houding van het Israelische leger – dat enerzijds een gebiedsverbod uitvaardigt, joodse kolonisten verbiedt Oush Grab met voertuigen te bereiken, maar hen anderzijds alle ruimte geeft - is behalve uit sympathie voor de kolonistenbeweging, ook te verklaren door de strategische ligging van Oush Grab. De heuvel overziet Weg Nummer 356, die de joodse nederzetting Har Homa met de nederzettingen Tekoa, Nokdim en Kfar Eldad verbindt en de reistijd van joodse kolonisten forenzen naar Israel verkort. '356' is voorts een 'wig' die de mogelijkheden van het Israelische leger vergroot om in het gebied te patrouilleren. De weg heeft het idee nieuw leven ingeblazen, dat dit blok joodse nederzettingen nooit ontruimd mag worden, mocht Israel daartoe ooit gedwongen worden. Het is net als in het geval met het grote, ommuurde nederzettingenblok Gush Etzion. De kolonisten willen dezelfde status voor 'Oost' Gush Etzion en '356' zou dat mogelijk moeten maken. Zou Oush Grab niet gekoloniseerd worden, dan zou '356' binnen het bereik van geweervuur van Palestijnse militanten kunnen komen te liggen.

De gevolgen voor het insluiten en afknijpen van Bethlehem door bypass roads (kolonistenwegen) heeft desastreuze gevolgen voor de sociale cohesie in de lokale gemeenschappen. Landbouwgrond en olijfboomgaarden moeten wijken voor '356', plus de begeleidende wegen en hekken waarop gepatrouilleerd wordt. De ruimte om voor Palestijnen huizen te bouwen neemt drastisch af. Om toch te voorzien in de behoefte aan woonruimte, moeten er in omringende plaatsen meer (en waarschijnlijk hoger) gebouwd gaan worden, hetgeen eveneens ten koste gaat van schaarse landbouwgrond en traditionele woonvormen. Daarnaast geldt, dat hoe meer '356' wordt gebruikt - en dat gaat gebeuren als jonge gezinnen wegens een gebrek aan woonruimte naar elders moeten verhuizen, hoe meer zogeheten flying checkpoints er komen (lees meer reisrestricties). Dit maakt Betlehem sterker afhankelijk van toeleveranciers uit Israel.

Net zoals op zoveel betwiste plaatsen op de Westelijke Jordaanoever, speelt water ook hier een rol. Een van de drie pompstations van het district Betlehem ligt op Oush Grab. Water kan 's zomers zo schaars zijn, dat de diverse wijken van Beit Sahour slechts op bepaalde dagen in de week water aangeleverd krijgen. Het pompstation op Oush Grab is het enige van de drie die volledig operationeel is en heel Beit Sahour van water voorziet. Zou er daar een joodse nederzetting gevestigd worden, dan wordt routineus onderhoud en het repareren van lekken vrijwel onmogelijk, omdat er voor Palestijnse monteurs geen vergunning afgegeven zal worden.

Kortom, de toekomst van Oush Grab hangt nauw samen met politieke beslissingen over een 'vredesakkoord' en de eventuele ontruiming van een aantal nederzettingen. Dit lijkt evenwel lichtjaren weg. In de tussentijd is Oush Grab voor de een een bargaining chip, voor de ander een religieus project in het kader van Groot-Israel, maar voor de Palestijnen een poging om iets op te bouwen.

Jeroen Bosch is freelance journalist

verder lezen: www.decolonizing.ps

Eerder gepubliceerd in Soemoed, de tweemaandelijkse uitgave van het Nederlands Palestina Komitee, jaargang 37, nummer 1 (januari-februari 2009). Een abonnement op Soemoed heb je door overmaking van € 32,50 op giro 2047409 t.n.v. Stichting Palestina Publicaties, Amsterdam. Zie ook www.palestina-komitee.nl

back