Palestijnen in Libanon
Aan de oevers van de Koude Rivier

Martin Glasenapp

Nauwelijks zichtbaar voor het oog van de wereld, voltrok zich in de zomer van 2007 ten noorden van de Libanese havenstad Tripoli een bloedige tragedie. In een maandenlang offensief tegen een fundamentalistische militie verwoestte het Libanese leger het Palestijnse vluchtelingenkamp Nahr al-Bared (Koude Rivier). Verslag uit een rechteloze zone, waarin een permanente noodtoestand van kracht is.

Op de stoffige straat trilt rond het middaguur de lucht. Het is heet geworden en Ahmed al-Sawiad is sinds 8 uur vanmorgen op de been. Hij neemt een korte pauze en schuift zijn bouwhelm in de nek. Met geroutineerde blik taxeert hij de tweede verdieping van een vier verdiepingen hoog woonhuis. De twee bovenste verdiepingen zijn ingestort, rond de eerste etage is plastic zeil tegen inkijk gespannen. Houten balken ondersteunen als noodoplossing de resten van de trap. De 63-jarige bouwingenieur gaat voorzichtig naar binnen en roept om de bewoners. Er verschijnt alleen een jongen, aan wie hij een formulier met daarop een telefoonnummer geeft. Zijn ouders moeten zich melden. In zijn notitieboekje zet hij een rood kruis. 'Groot instortingsgevaar', zegt hij. 'Eigenlijk mag niemand hier meer wonen.' De stevig gebouwde man werkt voor de groep 'Nood-architecten', een verzameling van ingenieurs en architecten die in opdracht van de United Nations Relief and Works Agency (UNRWA), de VN-organisatie voor Palestijnse vluchtelingen, de schade aan de gebouwen in vluchtelingenkamp Nahr al-Bared in kaart brengt. 'In het oude centrum is elk gebouw rijp voor de sloop', zegt de inspecteur. 'Het is erger dan in Bagdad.' Al-Sawiad werkte 28 jaar voor het Ministerie van Industrie in Irak. In 2006 keerde hij vanwege het aanhoudende geweld in de straten van Bagdad terug naar Nahr al-Bared. 'Nadat ik mijn spaargeld door de beslaglegging op de Iraakse staatsbank was kwijtgeraakt, was alles dat ik nog had mijn ouderlijk huis in het vluchtelingenkamp.' Hij steekt een sigaret op en stelt dat het noodlot zich voor de Palestijnen, na de aanvallen van het Libanese leger, herhaalt: vlucht na vlucht. 'Net als bij de exodus uit Palestina in 1948 moesten wij ook nu weer te voet vluchten, 15 kilometer naar het naburig gelegen Beddawi-kamp.' En dan de schok na het einde van het geweld. 'Wij keerden terug in een wereld, waarin geen steen meer op de andere stond. Onze buurten zijn veranderd in puinhopen.' Volgens de UNRWA zijn bij de gevechten tussen het Libanese leger en de radicaal soennitisch-islamistische groepering Fatah al-Islam in de zomer van 2007 bijna alle gebouwen in de volgebouwde, 2 vierkante kilometer grote binnencirkel van het kamp vernietigd. De hoeveelheid af te voeren puin uit dit ruÔnenlandschap bedraagt een half miljoen kubieke meter. Waar eerst straten lagen, slingeren nu voetpaden tussen de geraamtes van huizen, kraters en verpletterde voertuigen.

De vijand kwam van buiten
Het Palestijnse vluchtelingenkamp Nahr al-Bared draagt de naam van het riviertje dat door het kamp heen kronkelt en in de Middellandse Zee uitmondt. Hier leven 42.000 mensen in wijken die vernoemd zijn naar de plaatsen van herkomst van de bewoners uit het oude Palestina. Het kamp is niet aangesloten op het riool, noch op het stroomnet of op de waterleiding; het openbare school- en gezondheidssysteem wordt gerund door de UNRWA en een reeks Palestijnse niet-gouvernementele organisaties. Op de markten van Nahr al-Bared wordt in belastingvrije goederen gehandeld, die met hulp van het Syrische leger, dat bijna 30 jaar in Tripoli aanwezig was, via land of water naar binnen worden gesmokkeld, om vervolgens daar voor aanzienlijk lagere prijzen dan buiten het kamp verkocht te worden. Ook veel Libanezen bezochten de markten in het kamp. Tot eind 2006 was het kamp een rustig oord.

De operatie van het Libanese leger in mei 2007 tegen de Fatah al-Islam die zich in het kamp ingegraven had, was enorm hard en niets ontziend. De gevechten begonnen toen er in een voorstadje van Tripoli een schotenwisseling tussen leden van de Fatah al-Islam en de plaatselijke politie had plaatsgevonden. De groepsleden verschansten zich daarop in het vluchtelingenkamp. Het Libanese leger sloot de stroom en de watervoorziening voor de gehele bevolking van het kamp af en viel zonder waarschuwing aan. Bij zware gevechten die tot september zouden voortslepen, kwamen niet alleen 250 strijders van Fatah al-Islam, maar ook 163 Libanese soldaten om het leven. Honderden anderen raakten gewond. De meerderheid van de bewoners kon tijdens de korte gevechtspauzes het kamp in allerijl verlaten. Bijna allen vluchtten naar het nabij gelegen Palestijnse Beddawi-vluchtelingenkamp, waar zij met veel medeleven en solidariteit werden opgenomen.

Hoewel afgelopen herfst een deel van de vluchtelingen naar Nahr al-Bared kon terugkeren, verbleef in het voorjaar van 2008 de helft van hen nog altijd in het Beddawi-kamp of in tijdelijke containers, die aan de rand van het vluchtelingenkamp waren geplaatst. Pas in april van dit jaar stond het Libanese leger, dat tot dan het kamp volledig omsingeld hield, toe dat er een begin met wederopbouwwerkzaamheden werd gemaakt. Zo begonnen VN-organisaties, in samenwerking met Palestijnse NGO's waaronder de Populair Aid for Relief and Development (PARD), de vernielde water-en stroomvoorziening te repareren. De wederopbouw van het kamp zal evenwel veel tijd vergen. Henri Disselkorn, de betrokken verantwoordelijke van UNRWA in het kamp, heeft het in dit verband over maximaal 3 tot 4 jaar.

Verbitterde terugkeerders
Zoals vele bewoners wantrouwt ook de kiosk-eigenaar Abu Harira Tamir dergelijke uitspraken. 'Wat is er gebeurd? Was er opzet om het kamp op te doeken, net als destijds met Tel al-Zaatar het geval is geweest?'. Hij wiegt zijn twee maanden oude zoon in zijn armen en blikt terug op het jaar 1976, toen in het tweede jaar van de Libanese burgeroorlog het toenmalige grootste Palestijnse vluchtelingenkamp door christelijke milities met de grond gelijk is gemaakt. In zijn blauwe gewaad en met zijn lange baard beantwoordt de jonge vader, die net buiten het blok containerhuizen een winkel bestiert, enigszins aan het westerse clichť van een islamitische driftkikker. Die indruk verandert als hij spreekt over de catastrofe in de herfst van 2006, toen de eerste aanhangers van Fatah al-Islam in het kamp opdoken. 'Zij hadden nieuwe terreinwagens, moderne wapens en duidelijk veel geld. Hun vrouwen waren volledig gesluierd.' Opvallend was, dat de meerderheid van hen geen Palestijnse achtergrond hadden, maar afkomstig waren uit Marokko, Saoedi-ArabiŽ, Irak en Afghanistan. De religieuze strijders begonnen bewoners lastig te vallen wanneer zij muziek hoorden. In de omgeving van hun centra trokken zij posters met daarop het portret van de leider van de shi'itische Hizbullah, Hassan Nasrallah, van de muur. 'Hun religieuze leiders verkondigden dat de shi'ieten ongelovigen zijn.' Veel bewoners van het kamp vermoedden toen al dat die soennitische jihadisten van de Fatah al-Islam banden met het netwerk van al-Qa'ida onderhielden.

Dat dacht ook Ijad Abid, een marktkoopman, wiens goedlopende groente- en fruitwinkel uitbrandde. 'Ik heb alleen mijn huis nog,' zegt de 56-jarige schouderophalend. Met troffel en cement probeert hij de gaten in de buitenmuur te vullen. 'Van machinegeweervuur,' zegt hij. Hij wilde mij de bovenverdieping laten zien. Op de muren staan allerlei obscene en racistische anti-Palestijnse leuzen geklad, achtergelaten door Libanese soldaten. Abid is woedend: 'Wij hebben het nooit voor mogelijk gehouden dat onze moslimse broeders ons zoiets aan zouden kunnen doen.' Hij verwijdert de leuzen pas als vertegenwoordigers van de PLO zijn huis hebben gezien. Wanneer dat gebeurt? Hij weet het niet, zoals hij Łberhaupt geen idee heeft wat de toekomst zal brengen. 'Zij hebben ons allemaal in de steek gelaten.' Dan vertelt hij hoe onverantwoordelijk het kampcomitť heeft gehandeld, toen de 'terroristen' - zoals hij de aanhangers van de Fatah al-Islam zonder enige omhaal noemt - in het kamp aankwamen. 'De islamistische groepen vertelden ons, dat zij niet op hun broeders zouden schieten. De andere organisaties waren bang zelf aangevallen te worden.' Zijn minachting treft ook de officiŽle PLO-vertegenwoordigers: 'Zij werkten nog met het Libanese leger samen, toen dit onze huizen al aan het vernielen was.' Op de bovenverdieping zijn alle kamers verwoest. De wanden zijn zwart geblakerd. In de keuken liggen gesmolten plastic bussen en gebroken servies. Zijn verbittering was compleet toen hij bij terugkeer ontdekte dat het Libanese leger systematisch geplunderd had. 'Alle elektronische apparaten, het keukengerei, maar ook de airconditioning, de bankstellen en zelfs het meubilair van de slaapkamer was meegenomen.' Eťn bankstel vond Abid terug op een markt in de omgeving. Nee, een schadevergoeding verwacht hij van niemand. En de toekomst? 'Is er niet,' zegt hij kort. Het kan zijn dat de huizen er ooit weer allemaal staan, maar de controle door het leger bij de ingang van het kamp blijft. 'Geen Libanees komt hier nog inkopen doen. Wij zijn verloren en rechteloos.'

Geen toekomst, zonder rechten
Net als de milities van Fatah el-Islam beschouwt het Libanese leger Nahr al-Bared ook als een de facto rechteloze zone. De verwoesting van het kamp verliep in alle openheid. De verbittering van vele Palestijnen over de politieke zwakte van hun eigen organisaties, legt een dramatisch machtsvacuŁm en de 'buitenterritoriale status' van de vluchtelingenkampen bloot. Deze buitenrechtelijke ruimte is een zone voor een permanente noodtoestand, waarin niet alleen het Libanese leger, maar ook Palestijnse en islamistische groepen eigenmachtig handelen. De Libanese overheid degradeert de inwoners van Nahr al-Bared tot een soort homo sacer, een bevolkingsgroep waarvan de eigendommen verwoest en ongestraft geplunderd kunnen worden. Zolang de Palestijnen in Libanon elementaire burgerrechten en vrije toegang tot de arbeidsmarkt worden ontzegd, staat veel vluchtelingenkampen op korte termijn een ramp te wachten.

Uit: Medico Rundschreiben 02/2008 (Medico International; Frankfurt am Main)

Martin Glasenapp is publicist

Vertaling: Jeroen Bosch

Eerder verschenen in Soemoed, tweemaandelijkse uitgave van het Nederlands Palestina Komitee, jaargang 36 nummer 4 (juli-augustus 2008). Abonneren voor € 32,50 via npk@xs4all.nl. Zie ook www.palestina-komitee.nl.

back