| |
|
28 689 Onderzoek Integratiebeleid 2.4 Nationale Veiligheid (...)
Activiteiten van overige Turkse politieke groeperingen In het geval van Turkije is er sprake van tenminste twee, elkaar vijandig gezinde diaspora-gemeenschappen: de nationalistische "Grijze Wolven" en de voor culturele en politieke rechten strijdende Koerden. In de literatuur wordt gewezen op de angst die leeft bij gezagsdragers voor het importeren van conflicten tussen Koerden en Turken (Geerse 1999: 198). Medio jaren negentig namen de spanningen tussen beide groepen in Nederland toe (Can en Can-Engin 1997: 72; zie ook paragraaf 2.6). Omstreden in Nederland is de invloed van de "Grijze Wolven", die banden hebben met de ultranationalistische Partij van Nationalistische Actie (MHP: Millyetçi Hareket Partisi) in Turkije. Deze partij streeft naar de vestiging van een Groot-Turks rijk. In Nederland zou zij contacten onderhouden met de Turkse Federatie Nederland (TFN), een in 1995 opgerichte koepel van zgn. ülkücü-organisaties van "nationalistische idealisten" (oftewel "Grijze Wolven"). De BVD (2000: 26-27) stelt dat de nauwe banden tussen de MHP en de TFN onder meer worden geïllustreerd door de bemoeienis van MHP-functionarissen bij de verkiezing van bestuursleden tijdens een TFN-congres in Nederland. De ülkücü-beweging in Nederland kan als een nationalistische diasporagemeenschap beschouwd worden, die deel uitmaakt van een internationaal netwerk van gelijksoortige organisaties met als centrum de partij in Turkije (Geerse 1999: 191-203). Officieel worden banden tussen de TFN en de MHP ontkend. De Turkse wet staat overigens niet toe dat politieke partijen afdelingen in het buitenland oprichten. Uit onderzoek van Geerse (1999: 196) bij het Turks Cultureel Centrum, een bij TFN aangesloten beweging, blijkt een sterke oriëntatie op moederland Turkije. Er is sprake van een constante nationalistische informatiestroom, bezoek van Turkse deskundigen en imams, van inzamelingen en fondsenwerving (o.a. ten behoeve van de verkiezingscampagnes van de MHP in Turkije). Overeenkomstig de conflicten in Turkije tussen de MHP (en de "Grijze Wolven") en de PKK, bestaan er - zoals gezegd - voortdurende spanningen tussen de TFN en meerdere Koerdische Arbeidersverenigingen in Nederland, verzameld in de koepelfederatie FED-KOM (91). Toch is een groot deel van de 50 000 Koerdische Nederlanders niet politiek actief en is een deel aangesloten bij niet-Koerdische organisaties (Van der Wal 1999: 46-48). Medio jaren negentig kwam het tot een aantal incidenten, met name naar aanleiding van de oprichting van het Koerdisch Parlement in Ballingschap in Den Haag. Onlangs leidde het bezoek van de secretarisgeneraal van de Turkse Nationale Veiligheidsraad tot spanningen tussen "Turks-gezinde" en "vijandelijke" organisaties (NRC Handelsblad, 3 mei 2003).
Effecten en invloed op integratie Het beschreven bezoek van de belangrijkste Turkse politiek-militaire functionaris, de heer Kilinc, heeft geleid tot ophef en onrust onder verschillende Turkse organisaties. Volgens berichtgeving in het NRC Handelsblad (3 mei 2003) heeft het niet uitnodigen van minder Turksgezinde organisaties onder meer geleid tot tweespalt binnen het Inspraakorgaan Turken. Deze interne conflicten richten de aandacht van Turkse migranten in Nederland opnieuw op de politieke situatie in het moederland, en hebben een negatieve invloed op de eenheid van die gemeenschap in Nederland. Daarmee lijkt het bezoek (in ieder geval) niet positief bij te dragen aan de integratie van de Turkse gemeenschap in de Nederlandse samenleving. Voor zowel het bezoek van de Turkse generaal als het stichten van de Raad voor landgenoten geldt dat de bronnen geen uitsluitsel geven over mogelijk achterliggende motieven van de Turkse regering. In het geval van het bezoek van de heer Klinic, menen sommige vertegenwoordigers van Turkse organisaties dat de werkelijke reden voor het bezoek het bundelen van Turks-gezinde organisaties was, om deze te kunnen inzetten ten behoeve van een lobby voor Turkije voor toetreding tot de Europese Unie (NRC Handelsblad, 3 mei 2003). Anderen ontkennen dit. Hieraan kunnen wij géén conclusies verbinden, anders dan dat het bezoek op zichzelf al een indicatie is dat de Turkse regering een bepaald beleid voert gericht op de diasporagemeenschap in Nederland. Zowel het bezoek van de Turkse generaal als het oprichten van een adviescollege van Turkse migranten vormen bewijs voor een actieve interesse van de Turkse regering in landgenoten in onder meer Nederland. Het is een manier om de band tussen migranten en het Turkse moederland te verstevigen, maar het kan echter ook worden uitgelegd als Turkse inspanningen om problemen van migranten op te lossen. Het (beperkte) bronnenmateriaal staat ons echter niet toe vergaande conclusies te trekken ten aanzien van de effecten van deze activiteiten en hun invloed op de integratie van Turken in de Nederlandse samenleving. Over de effecten van de activiteiten van Turkse politieke groeperingen in Nederland is meer bekend. El Manouzi (1997: 119) stelt dat "de Turkse islam in Nederland zich kenmerkt door grote inhoudelijke diversiteit die tot uiting komt in een veelheid van confessionele stromingen, een complexe organisatie in hiërarchische structuren, en tenslotte, een politisering die is verweven met de wisselvalligheden van de Turkse politiek, van zowel regering als oppositie". De grote diversiteit aan Turkse organisaties in Nederland vormt een weerspiegeling van de Turkse politiek. De onderlinge (religieuze en politieke) tegenstellingen uit Turkije zijn eveneens geïmporteerd, hoewel de verhoudingen in Nederland anders zijn, bijvoorbeeld omdat oppositionele bewegingen in Turkije hier meer ruimte krijgen. Vooral conflicten tussen de Nederlands-Turkse organisaties met banden met de Koerdische PKK en met banden met de extreem-nationalistische MHP zijn veelvuldig gedocumenteerd (El Manouzi 1997; BVD 1998-2000). Geerse (1999: 196) concludeert dat deze bewegingen "vaak naar binnen zijn gekeerd" en dat "activiteiten zelden zijn gericht op integratie in de Nederlandse maatschappij". In 1999 stelt de BVD (p. 42) dat de TFN vatbaar blijft voor aanwijzingen uit Turkije en dat haar aanhang, die zich daardoor blijft richten op het moederland, minder geïnteresseerd is in integratie en participatie in de Nederlandse samenleving. De oriëntatie van de Turken die bij deze organisaties zijn aangesloten blijft gericht op Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 28 689, nr. 13 85 het moederland waar een aanzienlijke voedingsbodem voor conflict aanwezig is (bijvoorbeeld de Koerdische kwestie). Dit alles leidt tot onrust binnen de gemeenschap, het draagt bij aan negatieve imagovorming van de volledige minderheidsgroep onder de autochtone bevolking en het staat de ontwikkeling van een krachtige en eensgezinde Turkse minderheidsgroep (bijvoorbeeld ten opzichte van de Nederlandse overheid) voortdurend in de weg. Hieruit maken we op dat het handhaven van een eenzijdige oriëntatie op het moederland en het importeren van conflicten als gevolg van Turkse bemoeienis door overheid, gelieerde organisaties en partijen een belemmering vormt en heeft gevormd voor de integratie van Turken in de Nederlandse samenleving. De vraag in welke mate dit precies het geval is geweest kunnen wij niet beantwoorden. (...)
90): De volgende federaties maken deel uit van
het IOT: STICF, NIF, SCIN (Süleymancilar),
NUTIO (extreem-nationalisten), HTIB, HTKB,
PSDF (links) en de Federatie van Turkse Sport
en Cultuur in Nederland (HTSKF). Het Alevitische
HAK-DER is in 2002, na een afwezigheid
van vijf jaar, opnieuw toegetreden tot het IOT.
FED-KOM, de federatie van Koerden in
Nederland ontbreekt (Van Heelsum en Tillie
1999: 23). Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 28 689, nr. 13, pp. 83-86 |