Debat Utrechtse gemeenteraad over Grijze Wolven


Middagvergadering van 2 oktober 1997
Vragen van de heer Najib inzake de toenemende invloed van de Grijze Wolven.

De heer NAJIB (PvdA): Voorzitter! De voorliggende vragen spreken voor zich. Nog enkele woorden ter toelichting. Bij het laatste plan van aanpak van het college voor de interculturalisatie van de samenleving, staat als een van de speerpunten de beeldvorming genoemd en het positief maken van deze beeldvorming. In de afgelopen weken is een hoop discussie rond de infiltratie van de groepering Grijze Wolven binnen de Turkse gemeenschap ontstaan. Wij beschouwen dit als een vorm van ondermijning van de participatie van de Turkse gemeenschap. Vandaar dat wij menen er goed aan te doen de volgende vragen te stellen:
1. Zijn u in de stad Utrecht organisaties bekend die mogelijkerwijs onder de invloedssfeer van de Grijze Wolven vallen?
2. Bent u bereid om in de komende maanden daarvan een overzicht te geven dan wel een verkennend onderzoek daarnaar te verrichten?
3. Kunt u ons aangeven welke Turkse organisaties reeds subsidie van de gemeente krijgen en voor welke doelstelling?

Uit het antwoord op de vragen 2. en 3. zouden wij er inzicht in kunnen verkrijgen welke organisaties contacten met de gemeente hebben, met name als het gaat om het beschikbaar stellen van subsidies. Wij willen hiermee bereiken dat niet alle zelforganisaties van de Turkse gemeenschap op één hoop worden gegooid. In Utrecht zijn gelukkig ook heel veel Turkse organisaties die zeer vooruitstrevend en democratisch zijn. Om dit zichtbaar te maken, stellen wij voor dat het college het gevraagde overzicht in de komende maanden presenteert.

De VOORZITTER: Dames en heren! Het antwoord op de eerste vraag is 'neen'. Mij zijn geen Utrechtse organisaties bekend die onder de invloedssfeer van de Grijze Wolven vallen. Mij hebben vanuit politie en justitie geen signalen bereikt omtrent dit onderwerp. Recent is er een boek verschenen over het onderwerp (geschreven door Stella Braam en Mehmet Ülger) dat ook de media heeft bereikt en waarin Utrecht wordt genoemd op bladzijde 165 en 167. Wellicht is dit de aanleiding geweest voor het stellen van vragen. Hoe serieus je de zaak ook mag nemen, het is slechts een interpretatie-onderzoek van de schrijvers. Buitendien vinden er beschuldigingen binnen de Turkse gemeenschap plaats. Het lijkt mij beter dat wij afgaan op de informatie van de instellingen die daarvoor zijn, zoals de BVD en de inlichtingendienst van de politie. Dan nog is het de vraag wat wij als gemeentelijke overheid, als college en als raad, daarmee kunnen doen.

Het antwoord op de tweede vraag is: Ja, voor zover dat binnen mijn invloedssfeer ligt. Het is mij bekend dat de regionale politie ten behoeve van de BVD in zijn algemeenheid informatie verzamelt (dit gebeurt overigens al vele jaren) over activiteiten van de Grijze Wolven uit het oogpunt van staatsveiligheid. Het gaat hierbij om nationale en zelfs internationale ontwikkelingen. Ik zal mij laten informeren of er redenen zijn om hieraan in Utrecht extra aandacht te besteden. Het antwoord daarop zal ik u nog geven.

Mevrouw VAN DER LINDEN-DE FEIJTER (wethouder): Voorzitter! Er zijn enkele Turkse organisaties die via de dienst Welzijn subsidie ontvangen, soms structureel en soms incidenteel. Wij zullen de commissie Welzijn daarover informeren en een schriftelijk overzicht geven.

Relevant is het daarbij aan te tekenen dat subsidieverzoeken moeten voldoen aan onze nieuwe Algemene subsidieverordening. Een zeer wezenlijke bepaling die daarin wordt gehanteerd, is dat de subsidievrager moet voldoen aan de eisen van democratisch functioneren. Dat dit het geval is, moet blijken uit de statuten of reglementen, bestuursbesluiten en feitelijk handelen. In combinatie met het algemene vereiste in het eerste artikel van de Algemene subsidieverordening, namelijk dat men niet overwegend partijpolitieke, godsdienstige of levensbeschouwelijke vorming beoogt of feitelijk verricht, hebben wij een handvat om bij het toekennen van subsidies te sturen.

Toen wij deze vragen ontvingen, hebben wij vastgesteld dat er waarschijnlijk ook door andere diensten subsidies worden verstrekt, bijvoorbeeld op het terrein van cultuur of sport. Wij weten niet precies welke het zijn, maar zullen bekijken hoe wij tot een inventarisatie kunnen komen. Ons voorstel is om deze zaak te laten lopen via de commissie EOOWVC.

De heer NAJIB (PvdA): Voorzitter! Ik ben het college dankbaar dat het onze vragen serieus neemt. De uitvoering van beide vandaag gedane toezeggingen wachten wij met nieuwsgierigheid af, zowel binnen de commissie ABZ als de commissie EOOWVC.

De heer VAN LEIJENHORST (GroenLinks): Voorzitter! Discussies over dit onderwerp spelen vaak sluimerend bij de doelgroep in deze stad. Dat is de reden waarom onze fractie over deze materie al een keer gesproken heeft met zowel de heer Najib als mevrouw Van der linden. Daarbij zijn de nu gestelde vragen nadrukkelijk aan de orde gekomen, ook al omdat wij ons reeds toen enige zorgen maakten. De concrete vraag is dan ook of vanaf dat moment, dus een half jaar geleden, al werkzaamheden zijn verricht om tot een wat meer bevredigend antwoord op enkele van de nu gestelde vragen te kunnen komen.

In de praktijk blijkt dat mensen uit de betreffende doelgroep meer weten dan de BVD zelf weet. Dat geeft aan hoe wankel het evenwicht is, ook als het erom gaat hoe je als overheid optreedt. Zo kan ik mij herinneren dat een bezoek van een lid van het college aan een bepaalde allochtone groep een heleboel rumoer en commotie veroorzaakte bij een bepaalde gemeenschap. Daarom is het van zeer groot belang om enigszins te weten in welke hoek bepaalde zaken gevonden moeten worden. Het lijkt mij dan niet voldoende om in deze situatie af te gaan op informatie van alleen de kant van de BVD. Het ligt voor de hand dat wij onze voelhoorns op een andere manier uitsteken, om te weten te komen wat er binnen de samenleving leeft. Want dat er wat leeft, is zonneklaar en staat op dit moment voor iedereen vast.

Mevrouw DE WIT (D66): Voorzitter! Het antwoord van mevrouw Van der Linden, die verwijst naar de Algemene subsidieverordening, is m.i. onvoldoende. De problematiek van onze samenleving is dat wij, aan de hand van de regels die wij hanteren, een heleboel dingen juist niet doen. Ik vind het van het grootste belang dat wij de ontwikkelingen van de laatste jaren voor ogen houden. Dan gaat het niet alleen maar om de Turkse gemeenschap en de organisatie Grijze Wolven, maar om meerdere gemeenschappen die in ons land een plek hebben gevonden waar zich ideeën vormen over hoe de samenleving georganiseerd zou moeten zijn of hoe hun natie zich in de toekomst zou moeten ontwikkelen. Deze ideeën krijgen steeds vastere bodem en worden hier ook onderwerp van hun inzet. Ik denk dan ook aan het verleden, waarin wij vaak een sluier voor onze ogen hadden zodat wij niet alles konden zien. Dit heeft vaak tot heel onaangename situaties geleid. Daarom ben ik van mening dat de situatie meer inzet vereist dan alleen maar meer informatie verzamelen. Wij moeten bepaalde ontwikkelingen in onze samenleving tijdig onderkennen om erop te kunnen inspelen, juist omdat ze een bedreiging voor de vrede en harmonie in onze eigen samenleving kunnen zijn. Deze ontwikkelingen komen de groepen die hiernaartoe zijn gekomen om een plek in onze samenleving te vinden, niet ten goede omdat ze vaak zeer stigmatiserend werken op een betrokken groep als geheel. Ik zou dan ook willen dat het college wat meer activiteiten gaat ontplooien dan het volgens het antwoord wil ondernemen.

De heer HAITSMA (CDA): Voorzitter! De vragensteller heeft naar mijn weten onder meer kennis van de Turkse gemeenschap. Zijn hem organisaties bekend die onder de invloedssfeer van de Grijze Wolven vallen en heeft hij daar een beeld van?

De heer NAJIB (PvdA): Voorzitter! Het is niet de bedoeling van onze vragen om namen te gaan noemen. In het kader van de zorgvuldigheid die bij deze zaak is vereist, zeker in het belang van de Turkse gemeenschap zelf, lijkt het mij niet verstandig om nu al met namen en rugnummers te komen.

De heer Van Leijenhorst zegt dat wij het een half jaar geleden al over deze kwestie hebben gehad samen met mevrouw Van der Linden. Dat klopt wel, maar voor de juistheid van de geschiedschrijving wil ik hier vermelden dat dit een informeel overleg was, waar mevrouw Van der Linden, de heren Van Leijenhorst en Van der Steenhoven bij aanwezig waren. Toen was er nog geen sprake van concrete en zichtbare feiten, zoals die nu in de pers en binnen de gemeenschap zelf naar voren zijn gekomen.

De heer VAN LEIJENHORST (GroenLinks): Voorzitter! Wij zullen de zaak met grote zorgvuldigheid moeten behandelen, vanwege de gevoeligheid van de materie. Op zich is de vraag van de heer Haitsma wanneer een en ander in openbaarheid wordt gebracht natuurlijk terecht, maar wij zullen er steeds prudent mee moeten omgaan.

De VOORZITTER: Dames en heren! De heer Van Leijenhorst vraagt wat er tot nu toe is gedaan. Ik weet dat er al eerder signalen zijn geweest over dit soort zaken. Vanuit mijn verantwoordelijkheid als burgemeester heb ik de vaste afspraak dat, als er situaties zijn die het gemeentebestuur moet weten, ik informatie over dit soort situaties krijg van de kant van de BVD en de inlichtingendienst van de politie.

Daarom heb ik op vraag 1. kunnen antwoorden dat mij geen feiten bekend zijn - afgezien van de algemene geruchten die er gaan en die een ieder kent - die mij aanleiding geven om te zeggen dat er iets moet gebeuren. De vraag op zich is wel aanleiding om een en ander nog eens nadrukkelijk na te gaan. Ik kan het ook anders zeggen: het is een wat moderne manier van omgaan met informatie die als zodanig zeer vertrouwelijk is na 'Van Traa'. Van Traa zegt dat, als dit soort informatie voorhanden is vanuit de diensten die daarvoor zijn, een gemeentebestuur daarvan op de hoogte dient te zijn en daarmee rekening dient te houden in zijn handelen. Dat betekent dat wij bij dit soort zaken niet alleen buitengewoon zorgvuldig te werk gaan, maar ook actief zijn. Hierover hebben wij een 'standing' afspraak met politie en BVD.

Mevrouw VAN DER LINDEN-DE FEIJTER (wethouder): Voorzitter! Wij moeten natuurlijk uiterst zorgvuldig met de problematiek omgaan. Voorkomen moet worden dat wij alleen op geruchten afgaan. Naar aanleiding van het informele gesprek waaraan zojuist werd gerefereerd, heb ik de lijn gevolgd die de burgemeester zojuist heeft aangegeven. Dat heeft toen geen gegevens opgeleverd waardoor wij ons op een andere manier zouden moeten opstellen dan wij tot nu toe gedaan hebben.

De VOORZITTER: Dames en heren, ik concludeer dat dit onderwerp nog een vervolg krijgt.

 Passage in de tekst